Hoofdstuk 1

 

 

CELDIFFERENTIATIE EN MORFOGENESE

 

Ontwikkeling van een organisme wordt bepaald door 3 fundamentele processen:

1.    Celdifferentiatie = pluripotente stamcellen kiezen een bepaalde richting.

2.    Morfogenese (organogenese) = collectieve celmigratie met vorming van een bepaald weefsel/orgaan.

3.    Groei.

 

Celdifferentiatie en morfogenese treden op in de embryonale periode; groei met name in de foetale periode.

 

Botgroei kan betrekking hebben op:

1.    remodelling/fractuur genezing

2.    morfogenese: dit hoofdstuk richt zich met name op deze laatste.

 

 

Intramembraneus versus endochondraal bot

 

Tijdens de ontwikkeling van de mens zijn er 2 typen botvorming:

1.    intramembraneus (directe verbening); geen kraakbenig voorstadium.

     Vb. schedel, deel clavicula

2.    endochondraal (indirecte verbening); wel kraakbenig voorstadium

     vb. wervels, pijpbeenderen.

 

Enchondraal en intramembraneus gevormd bot zijn biochemisch weliswaar identiek, maar er moet wel een basaal verschil zijn want bijvoorbeeld de schedel toont geen osteoporose en wervels/pijpbeenderen wel.

 

·       Bij enchondrale  verbening bestaat er dus een kraakbenig voorstadium van bijv. pijp-beenderen; hierin ontstaan dan zogenaamde “primaire ossificatie centra”, welke later de diaphyse vormen.

·       In de epiphyse ontstaan vervolgens “secundaire ossificatie centra” op vrij nauwkeurig vaststaande tijdstippen (vb femur = 36 weken). Primaire, maar zeker ook secundaire ossificatie centra vormen een maat voor de biologische leeftijd van de betreffende persoon.

 

 

Ontwikkeling van een lichaamsplan en de significantie hiervan voor bot

 

Binnen de embryologie hebben de laatste jaren een toenemend aantal experimentele studies plaatsgevonden. Aanvankelijk met fruitvliegjes (Drosophila) en later ook met “knock-out” muizen (hebben een specifiek gendefect). Zo zijn we geleidelijk steeds meer te weten gekomen over specifieke genlocaties voor botontwikkeling.

 

 

Rompontwikkeling

 

15 dagen na bevruchting ontstaan het “notochord” (cellijn over de craniocaudale as gelegen in mesoderm.

-      Dorsaal van het notochord ligt het ectoderm, waaruit het CZS ontstaat

-      Ventraal ligt het endoderm, waaruit het darmstelsel ontstaat.

Het mesoderm naast notochord vormt gepaarde somieten (8 cervicale, 12 thoracale, 5 lumbale en 5 sacrale)

          Uit ieder somiet ontstaat een dermatoom (huid), myotoom (spieren) en sclerotoom (wervels & ribben). Tussen iedere wervel vormt zich een tussenwervelschijf (uit het mesoderm ontstaat de annulus fibrosus en notochordaal weefsel blijft bestaan als nucleus pulposus).

 

 

Extremiteit ontwikkeling

 

·       start 4 weken na de bevruchting

·       bovenste extremiteit net eerder dan de onderste (“craniocaudale axis”)

·       extremiteitknop begint als mesenchymale uitstulping bedekt met een laagje ectoderm (apical ectodermal ridge = AER)

·       proximale structuren in de extremiteit zijn eerder aangelegd dan de distale (“proximodistal axis (1)”)

·       Zo is er ook een genetisch gestuurde “anteroposterior axis (2)” en een “dorsoventral axis (3)”; deze 3 axis worden onderling en afzonderlijk genetisch gestuurd.

·       In de zesde week ontstaan kraakbeenhaarden in de pijpbeenderen.

·       Overgang van embryonaal- naar foetaal stadium ligt bij 8 weken en wordt gekenmerkt door vaatingroei in kraakbeenhaarden, gevolgd door aanleg van de primaire ossificatie centra. Uiteindelijk blijft dan een zeer proliferatievee kraakbeenlaag over (de groeischijf/physe), gelegen juist proximaal van de inmiddels ook ontstane secundaire ossificatie haard.

 

 

Genen en Messengers welke Morfogenese van het skelet sturen

 

De eerder genoemde “3 axis” (proximodistal, anteroposterior en dorsoventral) worden gestuurd door genen (bv. Sonic hedgehog gene) en groeifactoren (vb. BMP, TGFb).

 

 

Vaatontwikkeling

 

·       Ontwikkeling van vaten loopt synchroon op met de rest. Kraakbeen blijft avasculair en bij omvorming tot bot ontstaat ook vaatingroei.

·       De doorbloeding van de groeischijf is dubbel voorzien; respectievelijk vanaf de metaphysaire- en de epiphysaire zijde. De epiphysaire zijde is de proliferatievee zijde van de groeischijf (daar treedt de groei op), en een vasculair incident aan de epiphysaire zijde geeft permanente schade, terwijl vanaf de metaphysaire collateraalvorming mogelijk is met herstel.

·       De “nutriënt arterie” van de pijpbeenderen stamt uit de tijd van het “primaire ossificatie centrum”. Het binnenste 2/3 deel van de cortex wordt gevoed vanuit deze nutriënt arterie: het buitenste 1/3 deel vanuit het periost.

·       Het proximale femur en zijn vascularisatie is een geval apart. Het proximale femur is omwille van de beweeglijkheid van de heup niet zo strak omgeven door wekedelen (cf. doorbloeding). Vascularisatie verloopt veelal via het heupkapsel en is dus kwetsbaar; ophogen van de intraarticulaire druk geeft relatief snel afknellen van de vascularisatie (zie bijv. Legg-Perthes, epiphysiolyse en AVN).

 

 

 

 

 

Gewrichtsontwikkeling

 

Er zijn 3 fasen te onderscheiden:

1.    Blastemal condensations” =  een zogenaamde interzone van blastcellen opgebouwd uit 3 lagen.

2.    “Joint cavitation”: wordt waarschijnlijk deels bepaald door Apoptosis (geprogrammeerde celdood), er is zeker ook beweging nodig van het gewricht om een holte te kunnen laten ontstaan.

3.    Aanleg van intraarticulaire structuren.

 

 

De Groeischijf

 

De groeischijf is opgebouwd uit verschillende lagen lopend van secundaire ossificatie centrum naar metaphyse

 

1.    Reserve zone: chondrocyten rond, geen kolommen, weinig celdeling.

2.    Proliferatie zonde; klommen, afgeplatte chondrocyten, veel matrix productie, veel mitose, chondrocyten sterven af naar gelang ze richting metaphyse komen (de aanmaak is ongeveer gelijk aan het versterf)

3.    Hypertrofe zone; opgebouwd uit verschillende sublagen.

·       maturatie zone (chondrocyten zwellen op)

·       degeneratie zonde

·       calcificatie zone (geleidelijke overgang naar spongiosa)

 

 

Groei en Groeicontrole

 

Longitudinale groei wordt bepaald door de relatie tussen aanmaak in de proliferatie zone en versterf bij de metaphyse.

 

Hueter-Volkmann Law = hoge druk bij de groeischijf geeft groeiremming en lage druk geeft  een groei stimulatie (is dus eigenlijk de omgekeerde Wolff’s law)

 

1.      Hormonen- Endocriene controle:

Vele hormonen hebben een regulerend effect op de groeischijf; belangrijke hormonen zijn:

·       Schildklierhormoon:

     reguleren van de kraakbeen proliferatie (vb T3 leidt tot stimulatie van de proliferatie en maturatie van chondrocyten)

·       Groeihormoon:

-      prototype van het groeiregulerend hormoon

-      indien afwezig dan dwerggroei

-      stimulatie van de groeischijf vindt indirect plaats (groeihormoon wordt eerst in de lever omgezet tot somatomedine of insulin-like growth factor (IGF)

·       Parathyroïd Hormoon (PTH):

     stimuleert chondrocyten van de groeischijf tot de vorming van inositol-triphosphate (IP3), hetgeen weer intracellulaire Ca-release reguleert.

·       Glucocorticosteroïden:

     dit is een groeiremmer

·       Androgenen en Oestrogenen:

     stimuleren het sluiten van de groeischijf

·       Verschillende Vitamines

     Vitamine D is nodig voor calcificatie, Vitamine C voor collageen synthese en Vitamine A voor chondrocyten rijping.

 

2.   Groeifactoren - Autocriene en Paracriene controle:

Naast systemische hormonen, spelen ook kleine polipeptiden, namelijk groeifactoren en cytokinen, een regulerende rol.

 

Autocrien = effect op de cel zelf na synthese

Paracrien  = effect op nabij gelegen cellen na synthese

 

Voorbeelden van groeifactoren zijn:

·       Fibroblast Growth Factor (FGF); stimulatie van endotheel vorming, neovascularisatie en chondrocyten proliferatie).

·       FGF en IGF werken synergistisch op mitose in de groeischijf.

·       Transforming Growth Factor beta; breed scala aan stimulerende effecten; BMPs vormen een deel van deze superfamilie.

 

Moleculaire biologie van enkele klinische beelden met betrekking tot de groeischijf.

 

Achondroplasie:

·       prototype van korte extremiteiten en rompaanleg

·       endochondrale groei is aangedaan

·       gendefect zit bij de receptor voor FGF3

·       een soortgelijk beeld ziet men bij:

-      Crouzon Syndroom = abnormale schede naden (defect FGF2)

-      Jacson-Weiss en Pfeiffer Syndroom = abnormale schedelnaden en korte extremiteiten (defect FGF 1&2)

 

Abnormaal Type II Collageen.