Hoofdstuk 14

 

 

BIOMECHANICA EN BIOMATERIALEN

 

 

Biomechanica

 

Het basale concept van kracht en beweging bij bewegingsanalyse.

Statiek:

Leer naar de relatie tussen externe krachten en interne reactieven krachten in een vast lichaamssysteem in statisch evenwicht.

 

Kracht:

Een vectoreenheid met hoogte en richting, welke leidt tot versnelling van een vast lichaam in de uitgeoefende richting.

 

 

Eenheden van kracht

1 dyne =       hoeveelheid kracht, welke een versnelling kan geven van 1 cm/s2 aan een vast lichaam van 1 gram massa.

 

1 newton =    conform, maar dan 1 m/s2 versnelling van 1 kg massa.

 

1 kgf =          kracht leidend tot een acceleratie van 1 g (=9.8 m/s2) bij een massa van 1 kg (1kgf = 9.8 N)

 

1 lbf =           kracht leidend tot acceleratie van 1 g (= 32.2 ft/s2) bij een massa van 1 lb (1 kgf = 2.2 lbf)

 

Een vectorwaarde kan slechts algebraďsch worden opgeteld 0f afgetrokken mits de richting identiek is. Elke kracht kan daarvoor uitgedrukt worden in 2 “orthogonale componenten”. (x-as en y-as = “Cartesian Coördinate System)

 

Er zijn 2 typen krachten:

1.  Externe kracht: vb. grond reactie kracht, zwaarte kracht, uitgeoefende kracht door contact.

2.  Interne kracht:  vb. spierkracht, shear forces, ligamentaire stabiliteit e.d.

 

Spieren en ligamenten   -  trekkrachten

Gewrichten                     -  compressieve krachten

 

Het moment van een kracht = kracht x afstand (momentarm)

Couple” = een paar van twee gelijke tegengestelde krachten, parallel aan elkaar op een afstand d (leidt dus tot rotatie van een lichaam)

Wrijvingskracht = weerstand tussen vast lichaam en zijn contactoppervlak

 


 

Tweedimensionale statische kracht analyse bij gewrichtsbiomechanica

 

Newton’s wet van Statisch Equilibrium

 

Als een vast lichaam in “statisch equilibrium” (geen beweging) verkeerd dan (1) is de som van alle externe krachten nul en (2) de som van alle momenten ook nul (som van Fx = 0, som van Fy = 0 en som van Mo = 0).

Bij gewrichtsactiviteit zijn helaas niet altijd alle krachten bekend en moet van bepaalde vooronderstellingen uitgegaan worden; anders werkt dit denkconcept niet.

 

Free body diagram (FBD)

Is het gehele vaste lichaamssysteem ontdaan van alle fysische contacten met de omgeving, waarop alle externe krachten en interne krachten en momenten zijn weergegeven.

Als het FBD in equilibrium is moet voldaan zijn aan de “3 equilibrium equations” (som Fx=0, Fy=0 en Mo=0).

 

Statische kracht Analyse kan uitgevoerd worden volgens:

1.      grafisch

2.      algebraďsch

 

 

Het basale concept van kinematiek en kinetiek

 

I.  Kinematiek  =    leer van beweging van een vast lichaam zonder te letten op de oorzaak van de beweging.

II. Kinetiek        =    leer naar de relatie tussen de beweging van een vast lichaam en de krachten verantwoordelijk voor deze beweging.      

 

Een gewricht heeft 3 onafhankelijke bewegingsvrijheden (degrees of freedom =DOF)

1.      translatie   x-as

2.      translatie   y-as

3.      rotatie        z-as

 

Vb. closely packed joint (ulnohumeraal) =   1 DOF

      universal joint =                                      2 DOF

      ball and socket joint (heup) =                 3 DOF

                                                                     (flexie/extensie, exo/endo, abd/add)

 

Gewrichten kunnen 2-dimensionaal en 3-dimensionaal beoordeeld worden. Vaak bij 3-dimensionaal neemt het aantal DOF toe.

 

 

Basale typen van beweging

 

Translatie =  alle partikels van een vast lichaam bewegen langs een parallelle weg

 

Rotatie =      partikels van een vast lichaam bewegen in parallelle vlakken langs cirkels gecentreerd om dezelfde rotatie-as.

 

Elke algemene beweging van een vast lichaam kan opgesplitst worden in een translatie plus een rotatie.

 

 

Lineaire beweging

 

Een vast lichaam met translatie langs een rechte weg volgt een “lineaire beweging”. Hieruit is de gemiddelde snelheid (v) te berekenen; bij een verandering van deze snelheid is er ook een versnelling te berekenen.

 

 

Uniform circulaire beweging

 

Indien een vast lichaam draait om een vast punt (centrum van rotatie) in het vlak van het lichaam. Hierbij is er een zogenaamde hoeksnelheid te berekenen = aantal wenteling / graden per minuut.

Zo is er ook een hoekversnelling = centripetale acceleratie.

 

 

Instantaneous centrum van rotatie

 

Is in geval van zowel translatie als rotatie, verandert het centrum van rotatie; voor een bepaalde momentopname is er dan dit instantaneous centrum van rotatie.

 

 

Basale typen van gewrichtsvlak beweging

 

1.     Algemene gewrichtsbeweging: vb. algemene gewrichtsfunctie

2.     Gewrichtsvlak beweging: vb. gewrichtscontact krachten, frictie e.d.

      ad 2. 3 typen gewrichtsvlak beweging

·   glij beweging: eigenlijk pure translatie

·   spinning beweging: tegengestelde van glij beweging; eigenlijk pure rotatie.

·   rocking” beweging: (rolling without slip); het contactpunt verandert steeds (zie ook fig. 14-15)

Meeste gewrichten bewegen volgens een combinatie van deze drie bewegingstypen. Het rocking principe geeft de minste wear.

 

 

II.   Basale concept van Kinetiek

 

1.  Werk (W)= kracht in de richting van de verplaatsing x de afstand); (W = (F. cosß).s)

2.  Potentiële Energie = Ep; vb. steen op hoogte heeft potentiële energie om te vallen (zo ook een opgespannen veer e.d.)

3.  Kinetische Energie = energie nodig om een bewegend voorwerp te stoppen; Ek = 1/2mv2 ; De wet van behoud van energie: totale energie = Epot + Ekin = constant

4.  Power / vermogen = hoeveelheid werk / tijdseenheid

5.  Momentum (L) = massa x snelheid

6.  Impulsive Force = grote hoeveelheid kracht op een vast lichaam in korte tijd (Impuls = Impulsive Force x tijd)

7.  Massa moment van inertie (I) = weerstand tegen rotatie (vb. een zwaar lichaam gaat moeizaam draaien)

 

Direct Dynamisch Probleem:

De krachten zijn bekend en men berekent de resulterende beweging van een vast lichaam.

Inverse Dynamisch Probleem:

De beweging is bekend en de krachten worden afgeleid; de analyse van de meeste gewrichtsbewegingen behoort hiertoe.

 

 

Biomaterialen

 

Geschiedenis:

Door de geschiedenis heen hebben verschillende materialen veel aandacht gekregen ten aanzien van de reactie van het menselijke lichaam erop.

 

 

Materiaal Eigenschappen

 

Metalen:

Meest gebruikte metalen in de Orthopaedie zijn roestvrij staal, kobaltchroom en titanium. Belangrijke eigenschappen van metalen zijn:

1.     Relatief hoog buigpunt (het begrip plastische deformiteit van een materiaal geeft aan dat een eventuele verandering permanent is).

2.     Elasticiteit (versus plasticiteit); neemt juist de oude vorm weer gemakkelijk aan.

3.     Hoge plasticiteit; houdt in dat een materiaal veel belastingscycli kan verdragen

4.     Te verwerken zijn

 

Roestvrij Staal:

Is verschillende legeringen met staal als basis, aangevuld met chroom, nikkel e.d.

 

De 3 basis voor roestvrije metalen:

1.     ferritic staal = corrosie resistent, niet stevig

2.     masteristic staal = stevig, echter niet corrosie resistent (vb. scalpels)

3.     ansteritic staal = corrosie resistent en stevig

 

Cobalt-Chroom Legeringen:

Meest vermoeidheid- en corrosie resistent van alle implantaten (behalve Titanium)

 

Titanium en Titaniumlegeringen:

·         zowel puur als in legering gebruikt

·         zeer biocompatibel, geen immuunrespons

·         ook zeer corrosie resistent (meest van allemaal)

·         perfecte osseointegratie (dus potentieel als coating van implantaten)

·         lage elasticiteit, hetgeen ook een voordeel is.

 

Keramiek:

Is niet-metalen materialen met bioactieve of anorganische achtergrond.

 

Bioactieve materialen zijn ontworpen om een specifieke biologische activiteit te bewerkstelligen. Bijvoorbeeld hydroxyapatiet (HA):

- Veel gebruikt bij coating van THP

·   niet-toxisch, niet inflammatoir en biocompatibel.

·   HA wordt veel toegepast als plasmaspray techniek van implantaten.

·   HA coating heeft geleidt tot het bereiken van maximale interface-shear strength in de helft van de tijd tov. Niet gecoate implantaten.

·   Ceramiek geeft ook minder wear van polyethyleen (zie bijv gebruik van ceramisch kopje bij THP)

 

Polymeren:

·   synthetische polymeren betreffen de snelst groeiende tak van de biomaterialen wetenschap.

·   PMMA is een belangrijk voorbeeld en zit in botcement

·   polymeren ontstaan uit monomeren door additie (1) of condensatie (2); voorbeeld van additie is PMMA, terwijl bij condensatie het water verdreven wordt (vb. nylon en Dacron)

·   polymeren zijn te beschrijven als glazig, lederig, rubberachtig of visceus.

 

Creep =     vicieuze permanente deformatie van een polymeer (kan bijvoorbeeld bij een acetabulumcup gebeuren

Crazing =  dan treden er juist kleine scheurtjes op in het oppervlak.

 

Polymethylmetacrylaat PMMA:

·   Veelal in botcement gebruikt

·   Ontstaan veelal door menging van vloeibare en droge component, er treedt dan de zogenaamde Curing op. Deze curing van botcement kent verschillende fasen:   

1.     Dough time (niet meer plakkerig)

2.     Setting Time (bereiken helft van max. temperatuur)

3.     Working Time ( is 1 - 2)

 

Ultrahigh-Molecular-Weight Polyehtyleen (UHMWPE):

·   belangrijkste vertegenwoordiger van bestanddeel van de cup bij totale heupprothese.

·   polyethyleenwear blijft een probleem; dit leidt tot forse ontstekingsreacties met osteolyse e.d.

·   2 type wear:       1. Abrasive wear

                        2. Adhesive wear

 

 

Bioabsorbeerbare materialen

 

·         Sedert 1960 gebruikt voor interne fixatie (schroeven en platen e.d.).

·         Biodegradatie = cel-gemedieerde effecten van een materiaal..

·         Bioresorptie / bioabsorptie = fysico-chemisch proces van afbraak van deze materialen.

·         Bioabsorbeebare implantaten dienen om verbinding te houden tussen 2 weefsels, teneinde op lange termijn definitief herstel te fasciliteren door eigen hergroei

 

Criteria voor bioabsorbeerbare implantaten:

-        adequate stevigheid bij initiële fixatie

-        absorptieprofiel moet goed op herstel afgestemd zijn

-        absorptie moet niet te traag zijn anders krijg je net als bij metaal breuken en migratie

-        veilig, non-toxisch, non-immunogeen e.d.

 

De bekendste bioabsorbeerbare materialen zijn poly-glycolic acid (PGA) en polylactic acid (PLA). Beide worden passief afgebroken, de PLA langzamer dab PGA.

 

 

Processen van Invloed op orthopedische biomaterialen

 

Nitridering en Ion-implantatie

 

Deze 2 processen worden gebruikt binnen de orthopaedie om het oppervlak van verschillende legeringen te verharden.

Nitridering           =    algemeen proces waarbij het oppervlak van materialen wordt veranderd door een reactie met NO waarbij nitriet gevormd wordt op het oppervlak van het metaal.

Ion Implantatie   =    door het proces van nitridering worden NO ionen 0.1 µm in het oppervlak van het metaal geďmplanteerd, wat tot verharding van het oppervlak leidt.

 

Voordeel van dit oppervlak verharding is dat er een verminderde “wear” optreedt en het gladde oppervlak zo langer meegaat. Ook de duurzaamheid van het metaal neemt toe.

 

 

Corrosie

 

Definitie:                metaalafgifte reactie welke leidt tot een oplossing concentratie van metaalbevattende ionen groter dan 10-6 M

 

Immuniteit:            van een metaal betekent weerstand tegen het optreden van corrosie; ionenconcentratie rondom een immuun-metaal is per definitie < 10-6 M

 

Passivatie:            het proces waarbij een oxide of hydroxide laag ontstaat op het oppervlak van het implantaat, omdat bijv. chroom of titanium reageert met zuurstof.

 

Uniform-attack”: meest voorkomende vorm van corrosie en komt voor bij alle metalen in elektrolyten oplossing. Er is geen galvanische stroom voor nodig.

 

 

 

Galvanische of bimetallaire corrosie

 

Blijft belangrijk binnen de orthopaedie omdat vaak modulaire prothesen worden gebruikt; hierbij komen 2 ongelijke metalen in elkaars nabijheid, Voor dit proces zijn nodig:

1.   2 verschillende metalen of 2 verschillende energievelden binnen 1 metaal.

2.   elektrische geleiding

3.   Ionen transport door omringende oplossing van vrije ionen.

 

Oxidatie en corrosie treden aan de anode kant op, terwijl de kathode kant immuun is.

Dus in principe geen 2 ongelijke metalen gebruiken; maar zeker niet als 1 van beide roestvrij staal betreft.

 

Crevice” (scheur) corrosie:

Treed op in een kras van het oppervlak door zuurstof depletie. Dit proces versterkt indien chloride ionen aanwezig zijn.

 

Pitting corrosie:

Lijkt op crevice corrosie maar is meer geďsoleerd en symmetrisch. Ook versterkt door chloride ionen.

 

Stress corrosie:

Chemische activiteit in metaal kan veranderen door tensile-stresses. Bijv convexe (anode) kant versus concave (kathode) kant van een voorgebogen plaat.

 

Fretting:

Microbewegingen tussen 2 componenten (vb. schroef in plaat). Hierdoor ontstaat een passivatie laag.

 

Intergranulaire corrosie:

Een metaal of legering is opgebouwd uit een granulaire structuur. Verschillende granula kunnen op gaan treden als een galvanische cel. Een legering bestaat uit verschillende metalen dus is er meer inter-granulaire corrosie.

 

Leaching corrosie:

Conform granulairecorrosie, maar nu binnen een en dezelfde granula (is dus eigenlijk intra-granulaire corrosie).

 

Inclusie corrosie:

Indien er onzuiverheden in de legering zitten; treed dus een soort pitting corrosie op.

 

 

Host-respons op biomaterialen

 

Het lichaam reageert op een implantaat omdat het niet eigen is. Dit kan leiden tot ontsteking, infectie en osteolyse. Loslating van een prothese is dan vaak het gevolg.

Er zijn vele theorieën over loslating. Partikel-debris zou leiden tot loslating door enkele macrofagen reactie op partikels. Anderen zeggen weer dat de reactie op PMMA botcement verantwoordelijk is voor loslating. Dit houdt echter geen stand omdat het ook gezien wordt bij cementloze prothesen. Dus gaan de meningen nu weer naar de rol van UHMWPE en metaal debris bij loslating.

 

 

Osteolyse

 

Als een infectie als oorzaak is uitgesloten dan wordt botverlies veroorzaakt door: periprosthetische botremodelering of focale osteolyse (= uiteindelijk aseptische loslating).

 

De productie van partikels speelt een belangrijke rol bij focale osteolyse / aseptische loslating. Loslating treedt op indien partikel-debris vele malen groter is dan het lymfatisch zuiveringssysteem kan verwerken. We zien dan migratie en proliferatie van macrofagen, welke ontstekingsmediatoren vrijmaken met osteoclast stimulatie tot gevolg. Prostaglandine E2 en interleukine-1 spelen hierbij een centrale rol.

 

Het pathogene effect van partikel-debris is afhankelijk van de grootte, concentratie, oppervlakte eigenschappen en compositie.

Wear-debris bestaat veelal uit partikels van:

           

Metalen:

·   UHMWPE

·   PMMA cement

 

Om een macrofagen reactie in gang te zetten dienen partikels eerst door fagocytose in de cel te zijn opgenomen. Partikels > 7µm kunnen niet in de cel opgenomen worden.

 

Kobaltchroom legering partikels geven een mononucleaire histocytaire respons versus een multi-nucleaire histocytaire respons bij een titaniumlegering. Polyethyleen en PMMA partikels geven juist een multinucleaire giant-cel respons.

 

 

Systemische neven effecten en effecten op afstand

 

Deze zijn te verdelen in:

1.      Metabool

2.      Bacteriologisch

3.      Immunologisch

4.      Neoplastisch

 

Ad 1.    Alle metalen elementen in orthopaedische implantaten kunnen toxische effecten hebben op metabole functies.

 

Ad 2.    Te noemen zijn diepe infecties, osteomyelitis en implantaat corrosie. Diepe prothese infectie is en blijft een groot probleem. Collonisatie van het oppervlak van implantaten kan een infectie relatief makkelijk onderhouden.

 

Ad 3.    Type IV vertraagde hypersensitiviteitsreacties op metaal ionen kan voorkomen. Een duidelijk verband met dermatitiden en urticaria beelden is nooit aangetoond.

 

Ad 4.    Er is wel degelijk een carcinogeen effect van metaal-debris als chroom, kobalt en nikkel. Het betreft een low-risk effect, echter epidemiologische studies duiden toch op een verhoogd risico op leukemie en lymfomen na totale heupprothese.

 

 

Keuzes van biomaterialen

 

1.  Femorale component van gecementeerde THP of TKP gebruik bij voorkeur een kobaltchroom legering. Een titanium legering heeft juist veel partikel-debris met osteolyse laten zien bij gecementeerde prothesen. Wellicht voor de toekomst worden ceramische materialen de gouden standaard.

2.  Flexibiliteit is met name belangrijk bij ongecementeerde femorale component, anders geen osseointegratie. Hier is juist wel een titanium legering eerste keus.

3.  Acetabulum of tibiacomponent is klassiek gevormd van UHMWPE met of zonder metaalbacking. Het is niet aangetoond dat metaalbacking beter is dan alleen UHMWPE, en wel veel duurder. Dus vooralsnog is alleen UHMWPE de gouden standaard.

4.  Ongecementeerde acetabulum of tibiacomponent dient te bestaan uit UHMWPE met een kobaltchroom of titanium legering als osseoinductief oppervlak.

5.  Patella component bij TKP dient te bestaan uit alleen UHMWPE.