Hoofdstuk 15
MRI VAN DE WERVELKOLOM
Wilhelm Conrad
Roentgen - ontdekker 1895
Nu is een röntgenfoto
het meest gebruikte onderzoek in trauma en skeletal disease.
Er zijn ook andere
modaliteiten ontwikkeld.
Nucleaire geneeskunde
Botscan:
Intraveneus toediening
van Technetium99m (TC) methyldiphosfonaat. Dit wordt geïncorporeerd in het bot
door absorptie in hydroxyapatiet. Het is een reflectie van bot turnover cq.
osteoblastische activiteit. Wordt beïnvloedt door regionale bloedstroom.
Kan op twee manieren
worden uitgevoerd:
1. Single static fase: afbeeldingen van skelet 2 a 4 uur na
injectie.
2. Opnames in drie fasen: eerste fase is radionuclide
angiogram, tweede fase statische bloodpoolfase, dit is reflectie van de weke
dele distributie, en derde fase met 2 a 4 uur vertraagde opnames van skelet.
Te gebruiken bij
infectie, trauma, avasculaire necrosis en neoplasie.
Bij osteomyelitis:
wanneer bij niet afwijkende foto’s er toch een hoge klinische verdenking is.
Röntgenfoto’s laten pas na 3 weken botafwijkingen zien bij infectie.
Single fase botscan
is sensitief, maar een lage specificiteit. Een driefasen botscan heeft
verhoogde uptake, weke delen infectie niet hoog op de derde late skeletopnames.
Ongecompliceerde
osteomyelitis, sensitief 94%, specifiek 95%. Met onderliggende botpathologie is
specifiek 33% met hoge sensitiviteit.
Galliumscan:
Ga-67wordt
geïncorporeerd in hydroxyapatiet van het bot. Het is een ijzeranaloog en bindt
serumtransferrine en leucocytlactoferrines, dus accumuleert bij hyperaemie en
chemotaxis. sensitief 62-100% en specifiek 0-100%
Leucocytenscan:
Is beter dan een
galliumscan. Neutrofielen worden gelabeld met Indium-111 of Tc-99m. Niet
gerelateerd aan botturnover dus specifieker voor infectie. Distributie in red
bone marrouw. Sens. 80-100% specificiteit 50-100% (88 en 85%). Moeilijk is een
normale referentie te verkrijgen door de variabiliteit in beenmergdistributie.
Advies van Plestro om leucocytenscan te combineren met 99mTc-sulfurcolloid
beenmergscan. Hiermee sens/spec./accuratie van 100%, 94% en 96%.
Zwakheden van leucocytenscan
1. Afhankelijk van meedoen van neutrofielen, bij niet
bacteriële of chronische bacterieel doen neutro’s niet mee.
2. Vertebrale osteomyelitis heeft met dit onderzoek een
accuraatheid van maar 66%. In 10-60% van de gevallen van een spinale infectie
levert dit een cold spot en geen hot spot.
3. Indium is minder voorradig omdat het in cyclotron
geproduceerd moet worden. Labeling duurt 2 uur. Arbeidsintensief.
4. Neutropenische patiënten zijn slecht te labelen.
Laatste tijd wordt er
onderzoek gedaan naar polyclonale antilichamen en monoclonale antilichamen
gelabeld met Indium of Technetium. IgG-scan, sens en spec. Beter dan leucoscan.
Botscan bij trauma
·
Bij occulte
(op röntgenfoto geen afwijkingen; sterke klinische verdenking) heupfracturen,
een 3 fasen botscan, evt. herhalen. Sommigen vinden MRI-scan het onderzoek van
voorkeur bij occulte fracturen. (zo ook de auterus; evt. alleen T1 om kosten te
drukken)
·
Botscan bij
stressfracturen en shin splints
·
Botscan bij
screenend onderzoek bij verdenking op kindermishandeling
·
Analyse
osteochondritis dissecans; botscan of MRI (auteurs adviseren MRI)
Botscan bij metastatische ziekten
·
Meest hiervoor
gebruikt
·
Gewone
röntgenfoto laat pas metastasen zien wanneer er 30-50% verlies aan botmineralisatie
is. Bepaalde patronen zijn belangrijk. Botscan is hierbij sensitief voor vele
tumoren, maar echter niet voor agressieve lytische tumoren (myeloma, lymfoma,
anaplastisch carcinoom), omdat hier nauwelijks osteoblastische activiteit is.
Bij deze tumoren 40% vals negatief. Hierbij röntgen en MRI. Bij een normale
röntgenfoto met een haard op de botscan is suspect voor metastase, en moet
verder geëvalueerd orden door CT of MRI.
·
Botscan kan
ook gebruikt worden voor de screening van de lange pijpbeenderen wanneer
intramedullaire penfixatie is gepland ter stabilisering van een dreigende
fractuur door een destructieve haard, b.v. rest van het femur (stressriser tip)
Botscan is niet
bijdragend in de verdere evaluatie van primair bottumoren door slechte specificiteit
en slechte afgrensbaarheid/uitgebreidheid van de laesie op botscan.
Verhoogde uptake bij
osteosarcoma, ewingsarcoom, metastasen, genezende fracturen, paget’s disease,
fibreuze dysplasie, andere benigne processen.
Thallium 201:
(201Th) is een andere
mogelijkheid. Voordeel ligt in diagnostiek en prognose. Wordt opgenomen in
osteosarcoma en geeft de activiteit weer van de tumor. Zo kun je het effect van
chemotherapie (preoperatief) beoordelen. Heeft ook een lage specifiteit, ook
verhoogde uptake bij osteosarcoma, ewingsarcoom, metastasen, genezende
fracturen, paget’s disease, fibreuze dysplasie, andere benigne processen.
Avasculaire necrosis
van de femurkop:
Op botscan is te zien
als fotopenisch defect. Sens. 55-89%, specifiek. 50-100%. Botscan is niet
zinvol bij voorspellen van inzakken van de avasculaire femurkop.
Computer Tomography
·
Röntgenstralen;
tomografische plaatjes; ring draait 360 graden elke exposure. Telkens op 0
tussen opnames
·
Spiraal CT:
continue opnames. Voordeel snelle onderzoeken, minimaal verlies aan resolutie
bij bewegend object. Kan in elke richting 2 of 3 dimensionele reconstructies
weergeven.
·
Met de opkomst
van MRI wordt de CT-scan minder gebruikt in musculoskeletal imaging.
CT-scan
· Beter bij complexe fracturen (dan mri). CT kan kleine
corticale fragmenten goed demonstreren. MRI is wel sensitief voor fracturen,
echter fractuurdetail wordt gemaskeerd door uitgebreide oedeem weke delen en
beenmerg. Je mist op MRI dus fractuurdetail. Bij fracturen 2 of 3 dimensionele
reconstructies zinvol:
Acetabulum
Enkel
Tibiaplateau
Scaphoid
Calcaneus
Distale radius
Humeruskop
Evaluatie SC gewricht
Pols
· CT-scan kan ook enige weke delen afwijkingen diagnostiseren,
echter bij tibiaplateau-fractuur is de MRI aangewezen. Onderzoek ter
beoordeling menisci e.d. In dit geval kan ook MRI gebruikt worden voor simpele
tibiaplateaufracturen, echter auteurs gebruiken toch CT-scan voor
tibiaplateaufracturen, met sagittale en coronale reconstructies.
· CT-scan is zinvol bij fractuur nonunion.
· CT-arthrografie: intraarticulair inspuiten van lucht of
contrast; hiermee kan kraakbeen, glenoïd labrum, slaplesion, chondromalacie
patellae, synoviale plica, kruisbanden, OD, corpus librum, gevisualiseerd
worden. Nadeel: invasief. MRI is onderzoek van voorkeur bij kraakbeenevaluatie.
· CT bij infectie/tumoren. Bij infectie MRI Voorkeur, soms kan
het niet, dan is CT acceptabel. Eventueel dan intraveneus contrast geven om
ontstekingsweefsel te versterken. CT laat beter vroege veranderingen zien bij
osteomyelitis zoals demilitarisatie reactie en weke delen oedeem. CT is beter
dan MRI bij subtiele corticale destructie en sequesters. Ook veranderingen
passend bij tumor, marginatie, periostale reactie en matrixmineralisatie zijn
te zien op CT in vroeg stadium en niet op röntgenfoto.
· Conclusie: in evaluatie van subtiele corticale destructie en
matrix en weke delen mineralisatie is CT beter dan MRI. Advies:
tweedimensionaal corolaan en sagittaal ter beoordeling tumoromvang.
Ultrasound/Echo
· Geaccepteerd in musculoskeletal disease
· Gebaseerd op transmissie van geluidsgolven door weefsel en
de tijd die het kost om terug ontvangen te worden door probe. Verschillende
weefsels laten met verschillende snelheden door en op weefseloppervlakken
worden deze golven gereflecteerd naar probe. Geluidsgolven verlaten dezelfde
tijd de probe en komen op verschillende tijdstippen terug. Dit creëert een
plaatje.
· Lange learning curve
· Erg onderzoeker afhankelijk.
Traumasetting:
· Fracturen; wanneer kliniek zeer verdacht is voor fractuur,
echter op foto niet te zien. Sens 37%, specif. 61% voor occulte
scaphoïdfractuur. Bij kinderen kan het zinvol zijn bij epifysefracturen.
· Beoordeling fractuurgenezing. Niet kwantitatief maar op echo
is eerder callus te zien. Op echo is eerder nonunion te zien: ongeorganiseerd
echopatroon.
· Weke delen blessures/sportblessures:
Rotatorcuff
Achillespees
Syndesmoseruptuur
Bandcomplex enkel
Echo bij osteomyelitis:
Voornamelijk bij kinderen.
1.
Diepe weke
delenzwelling
2.
Periostale
elevatie/subperiostaal vocht/abces/corticale destructie.
1 en 2 eerder te zien op echo dan op röntgenfoto. Sens.
86-100%, specif. 91-100%. Eventueel echogeleid puncteren.
Echo bij sportblessures/surmenage:
· Goedkoop
· Noninvasief, i.t.t. arthroscopie/arthrografie
· Echter wel lange learningcurve
· Echo combineren met arthrografie: 100% sens./specf.
· Maar in knie is MRI beter dan echo
· In schouder is
echo en goed alternatief voor MRI
} Full thickness
cufftears sens. 74-95%, specif. 91-95%
} Partieel
thickness cufftears sens. 41-93%
} Calcificatie tendinitis SSP
· Altijd eerst röntgenfoto voor echo
· Echo
Achillespees: sens. acute complete ruptuur is 72-96%, specif. 83-100%. MRI is sensitief, maar echo eerst.
· Verdikken van pezen bij reuma
· Enthesopathie
· Amyloïde infiltratie (dialyse)
Weke delen zwelling:
1.
Eerst
röntgenfoto
2.
Dan echo,
echter deze kan solide of gemixte processen niet onderscheiden
3.
MRI ter
analyse beter
4.
Voor follow-up
evt. echo echter auteurs adviseren MRI.
Echo
bij:
· Carpaal tunnel syndroom
· Synovitis bij RA
· Screening op pees m. plantaris bij donorpees
· Corpora aliëna; op röntgenfoto niet elk vreemd lichaam te
zien. Echo wel. Sens 89%, specif. 93%
Echo
bij kwantitatieve beoordeling botkwaliteit
· UTV
· BUA
Echo
bij heupdysplasie bij kinderen:
2
methoden
· Graf: meten van de ossale en kraakbenige convexiteit van het
acetabulum gerelateerd aan het ilium
· Harcke: dynamisch onderzoek, beoordelen positie en
stabiliteit femurkop
·
The dynamic
standard minimum examination is een compromis.
Echo voor risicopatiënten voor CHD en patiënten met afwijkend
lichamelijk onderzoek met aanwijzingen voor instabiliteit of klik.
1.
Arbeidsintensief
2.
Lange
learningcurve
CT-scan met maar enkele plaatjes is een goed alternatief voor
controle in gipsbroek.
Echo
bij oudere kinderen:
· Legg Perthes disease: lateralisatie op echo en healing
eerder te zien. Arthrografie is obviate(?)
· Epifysiolysis: echo is sensitiever dan röntgenfoto
(vergelijken met asymptomatische kant)
MRI
Vooruitgang
in musculoskeletal disease
Voordelen:
· Magnetisme ipv ioniserende straling
· Grote gevoeligheid voor verschillen tussen weefsels en
vloeistoffen
· Hoog kwalitatieve dwarsdoorsnede plaatjes in elke vlak met
grotere contrastresolutie en gelijk of grotere spatiele resolutie (ivm CT)
· Intra en periarticulaire anatomie te vergelijken met
arthrografie
· Dit alles zonder neveneffecten.
Fysische
principes:
· Gebaseerd op nucleair spin=snel draaien van atoomkernen om
eigen magnetische as.
· Alleen oneven aantallen hebben nucleair=atomen met oneven
aantal protonen/ neutronen hebben een elektrische ladingsverschil aan
weerszijde van de kern, draaien om eigen as
· MRI gebruikt waterstofionen/H+proton, zijn in overvloed
aanwezig in ons lichaam
· In normale situatie zijn waterstofionen willekeurig
gerangschikt (bewegen alle kanten op, netto geen magnetisch veld)
· In extern magnetisch veld gaan protonen zich rangschikken,
parallel (minste energie) of anti-parellel (meestal energie), ongeveer 50%/50%
· Hoe groter het magnetische veld hoe meer protonen zich
parallel rangschikken (up-positie), het overschot aan protonen in up-positie is
netto magnetisch veld
· MRI gebruikt magnetisch veld van 1,5T, hierbij een overschot
van 8 per 2 miljoen protonen die zich gaan richten naar magnetische veld
(parallel=up)
· In extern magnetisch veld is er nog een tweede effect
protonen gaan behalve een beweging om eigen as, nog een tweede beweging
uitvoeren, een tolbeweging om de as van het hoofdmagneetveld. Dit wordt
precession genoemd. Dit is een cyclisch proces met een bepaalde frequentie
· Relatie tussen magnetisch veld sterkte en bepaalde
precession frequentie is de Larmorequation: v=y.b0
- v is percessionfrequentie
- y is gyromagnetische ratio (constante; verschillende
materialen verschillende waarde)
- b0 is sterkte extern magnetisch veld
· atoomkernen van dezelfde soort hebben dezelfde
precessiefrequentie, andere soort andere frequentie
Resonantie
Is
verandering in energiestatus van de nucleus veroorzaakt door specifieke
radiofrequentie.
· De kleine hoeveelheid nettomagnetische straling door
precessing protonen in weefsel in een sterk extern magnetisch veld kan niet
direct nauwkeurig gemeten worden.
· Daarom loodrecht erop een tweede verstorend magnetisch veld
om indirect te meten. Dit verstorende magnetisch veld heeft een radiopuls met
precies dezelfde frequentie als de Larmorfrequentie van het atoom dat wordt
onderzocht.
· Hierdoor energieoverdracht naar protonen welke
- resoneren
- beginnen met precession in het
tweede verstorende magnetische veld
· Na excitatie levert de nettomagnetisme van de protonen in
het weefsel een transvaal magnetisch veld
· Dit kan een voltage induceren in een receivercoil, wat kan
worden vertaald in een MRI-signaal
· Free-indcutiedecay: af en toe tweede magnetisch veld weg,
dan ook geen ontvangst in coil. is een karakteristieke tijdsconstante.
· De signaalamplitude is proportioneel met netto transvaal
magnetisme, en weer proportioneel met aantal geëxciteerde protonen in bepaald
weefsel.
· Dus de verschillen in protodensiteit zijn zichtbaar met MRI.
· Vervaardigen van een MRI-plaatje is vierdimensioneel, drie
dimensies en vierde dimensie is contrast
· Voor de drie dimensies worden drie gradientcoils gebruikt,
deze maken de herrie.
· Als weefsel is geëxciteerd kan maar heel kort een
MRI-signaal worden gemeten.
· De lengte van het signaal is het resultaat van twee
verschillende relaxatieprocessen.
· 90 graden puls=kortdurende transversaal (tweede) magnetische
veld/RF pulse kan lang genoeg om magnetisch moment loodrecht op
hoofdmagnetische veld te krijgen. Hierna zijn de nuclei in fase en precess als
een eenheid. In een korte tijd zullen de nuclei uit fase gaan door interactie
met buren en leidt tot een daling van netto-magnetisme. De tijd die het duurt
om 63% van het signaal irreversibel te verliezen is de T2 relaxatietijd. Dit is
een intrinsieke waarde van een weefsel.
· Tweede type relaxatie is de tijd om magnetische lading over
te brengen op omringende moleculen=T1=tijd die nodig is om 63% van het
magnetisme te herstellen na een 90 graden puls.
· T1 en T2 zijn beide exponentiële functies.
· Meestal T1 groter of gelijk aan T2.
Spinecho:
· Een 90 graden puls zorgt voor transversale magnetisme. Deze
neemt onmiddellijk af door T1 en T2 relaxatie. Een tweede 180 graden Rfpuls
wordt gebruikt, deze kan defasering omdraaien en de magnetische momenten weer
re-focussen, waardoor een echo of MRI-signaal wordt gevormd.
· Tr is de tijd tussen de Rfpulses, Te (echotijd) is de tijd
tussen de eerste Rfpulse en centrum van acquisitietijd van de echo.
· T1 gewogen opname is een MRI-afbeelding met een
pulssequentie met een korte TR en korte Te. Verschillen geven verschil in T1
relaxatietijd weer in de verschillende weefsels.
· T2gewogen opname lange Tr en Te. Hier vocht/oedeem goed te
zien.
· Zo heb je ook de fat-suppression setting
Andere
technieken:
·
Small-flip-angle gradiëntecho sequenties.
· Vetsuppressietechnieken.
De MRI-afbeelding wordt bepaald door:
· Intrinsieke parameters/niet te veranderen/weefselafhankelijk
· Extrinsieke parameters/aan te passen:
- Dikte (voxelsize)
- Plaats
- Aantal signalen waaruit
afbeelding wordt gemaakt.
Applicaties:
Magnetische
Resonantie Imaging:
Te gebruiken voor:
1.
Kraakbeen
2.
Spier
3.
Pezen
4.
Ligamenten
5.
Beenmerg
In acute trauma of in chronische aandoeningen.
Kraakbeen:
· Optimaliseren pulssequenties om contrast van het kraakbeen
te vergroten. Voldoende contrast is nodig om afwijkingen kraakbeen/subchondrale
bot te herkennen. Acute en chronische kraakbeenafwijkingen. Osteochondritis
dissecans: beoordeling stabiliteit en aanwezigheid kraakbeendefect. Dit is
nodig voor bepalen welke therapie. Desmet gebruikt hiervoor een hoge
signaalintensiteit tussen osteochondraal laesie op bot T2 sequentie als bewijs
voor fragmentinstabiliteit.
· Chondromalacie patellae= zachter worden van het
patellakraakbeen. Eigenlijk alleen graad 3 en 4 redelijk goed te beoordelen op
MRI. Overall accuraatheid is 79%.
· MRI kan ook eventueel voor beoordelen ernst/uitgebreidheid
arthrosis/inflammatoire arthritis met lokale erosie
Spier:
· MRI is nuttig hulpmiddel om gezonde en pathologische spier
te onderscheiden. Skeletspier heeft een signaalintensiteit tussen vet en bot.
Intermusculaire vetlagen zijn ook goed zichtbaar, waardoor verschillende
spiergroepen goed zin te onderscheiden.
· Polymyositis is een niet-infectieuze ontstekingsbeeld van de
spier. Moeilijk om diagnose te stellen. MRI helpt niet goed als diagnosticum.
Vaak is een biopsie nodig, valsnegatief in 25%. Biopsie met MRI als gips hele
goede resultaten.
· Pyomyositis: abcessen in spieren. Staf aureus. Pathogenesis
onbekend. Vaak bij kinderen/jongvolwassenen. MRI is goed te gebruiken om
abcessen te localiseren en uitgebreidheid te bepalen. Behandeling bestaat uit
chirurgische myotomie en abces-drainage en antibiotica.
MRI van de
knie
· 1985 Reicher: MRI nuttig om meniscuspathologie te evalueren.
· MRI van de knie meest gebruikt naar neuroMRI.
· Heeft arthrografie vervangen.
· Arthrografie alleen bij verdenking loslating prothese en
beoordeling continuïteit popliteacystegewricht en evalueren re-scheur meniscus
na eerder partiële meniscectomie.
· Voordeel dat je intra- en extra-articulaire structuren kunt
evalueren.
· Circumferente coils worden gebruikt bij extremiteiten zodat
er over de gehele knie een uniform signaal is.
Meniscusdegeneratie en scheur:
· Normale meniscus laag signaal.
· Driehoek van vorm.
· Buitenzijde convex, apex gericht naar notch.
· Degeneratie en scheur hebben een verhoogde
signaalintensiteit veroorzaakt door synoviale vloeistof.
· Er is een graderingmodel middels MRI ontwikkeld welke
correleert met histologisch model.
· Graad 1: irregulariteit of verhoogde globale
signaalintensiteit.
· Graad 2: een horizontale/lineaire intrasubstantiële verhoogd
signaal dat vanuit de periferie komt, maar niet doorloopt in de
gewrichtsgrenzen. Deze gewrichtsgrenzen zijn de delen van de meniscus die aan
het femurcondyl aansluiten of het tibiaplateau.
· Graad 3: verhoogde signaalintensiteit die doorloopt tot
in gewrichtsgrenzen.
· Graad 1 en 2 zijn mucineuze degeneratie, in asymptomatische
mensen in 25% aanwezig.
· Graad 3 is een significante scheur.
· Ook meniscusmorfologie is belangrijk. Achter- en voorhoorn
van laterale meniscus zijn even groot. Achterhoorn mediale meniscus is groter
dan voorhoorn.
· Afstompen van de apex zonder partiële meniscectomie is
pathologisch.
· Als arthroscopie de gouden standaard is, is de sensitiviteit
van MRI voor meniscus-laesies 83-98%.
· De negatief voorspellende waarde is nagenoeg 100%.Dit is
heel nuttig. Dit zorgt ervoor dat diagnostische scopien niet meer nodig zijn
(was 51%).
· MRI is minder succesvol in aantonen van re-ruptuur of
repair. Deze laesies kunnen graad 3 signaal blijven vertonen. Mogelijkheid om
gadolineum intra-articulair te geven, dit verhoogd accuraatheid van 66 naar 88%
(MRI-arthrografie).
Kruisbanden:
· Direct te zien op MRI.
· Kruisbandletsels soms solitair maar meestal in combinatie
met andere intra-articulaire pathologie mn mediale meniscuslaesie.
· Normale kruisband ACL 2 grote bundel vezels, schuin verloop,
origo lat femurcondyl insertie tibiaplateau voor eminentia.
· ACL is het best te zien op T2 sagittale opname parallel aan
het intercondylaire dak als een continue laag signaalintensiteit band. Coronale
beelden helpen bij differentiëren echte ruptuur of volume-effect.
· De accuraatheid voor
aantonen ACL-laesie is 94-95%. Dit is een eter dan lichamelijk
onderzoek/lachman/VSL.
· Criteria voor ACL-ruptuur:
- discontinuïteit in laag
signaalintensiteit band op sagittale opname
- irregulaire voorzijde
- hoogsignaal in de ACL op T2
· IN 92% van de ACL-ruptuur is een begeleidende bone bruise
van laterale femurcon-dyl en posterolaterale tibiaplateau.
· Bone bruises hebben slecht begrensde lage intensiteit op T1
en hoge signaalintensiteit op T2-opnames.
· Deze bone bruises zijn specifiek signaal van complete
ACL-ruptuur (Murphy).
· Chronische rupturen zijn niet altijd zichtbaar, soms
verbakken met PCL.
· MRI Voor aantonen PCL-ruptuur is betrouwbaar. Meestal is een
PCL-ruptuur in combinatie met ruptuur ACL/menisci/collaterale ligamenten.
· Normale PCL: brede band laag signaal te zien op sagittale
opname. PCL is dikker dan ACL.
· Elk verhoogd signaal op T1 of T2 opnames in het ligament is
pathologisch.
· 100% sensitiviteit aantonen PCL-ruptuur met MRI.
· Hoge negatief voorspellende waard.
Occult
bone bruises:
· Op conventionele röntgenfoto niet altijd zichtbaar.
· Indeling van Mink: 4 typen occulte fracturen, eenvoudigste
is de bone bruise.
· Een bone bruise is een diffuus of gelokaliseerd gebeid waar
verlaagd signaal is op T1 en verhoogd signaal op T2, duidend op
oedeem/hyperaemie/bloeding/microfractuur.
· Deze zijn meestal geassocieerd met ACL-laesie en laesie
contralaterale collaterale ligamenten.
· 100% ptn met bone bruise hebben ligamentletsel.
· Lynch vindt dat je dit niet volledig mag belasten van
vanwege kans op fracturen.
· Vellet zag bij 120 ptn met acute haemarthros 72% occulte
subcorticale femorale en tibiale fracturen. 67% osteochondrale sequelae.
· Bij scopie in eerste instantie niet altijd zichtbaar, maar
wel bij MRI 6 of 12 mnd later.
· Dus belangrijk is niet de aanwezigheid van occulte
fracturen, maar de aanwezigheid van ostechondraalletsels en chondrale sequelae.
Cave: grote kans op ontwikkelen OD-haard.
MRI van de schouder
· Is technisch moeilijker dan de MRI knie.
· Net als bij de knie zijn er surfacecoils ontwikkeld die de
beeldkwaliteit verhoogd.
· Schouder is een mobiel/instabiel gewricht. 1/3 van de
humeruskop heeft contact met glenoïd/labrum. Stabiliteit wordt verkregen door
omringende weke delen.
· Rotatorcuff met insertie goed te zien op coronale oblique en
sagittale oblique opnames
· Anatomie van het acromion/AC-gewricht is het best te zien op
oblique sagittale opnames.
· Transaxiale opname zinvol bij evaluatie glenoïdlabrum/kapsel
en lange bicepspees.
Impingmentsyndroom:
· Klinische diagnose.
· Weke delen van de subacromiale ruimte
(bursa/SSPpees/bicepspees) raken gecompri-meerd tussen humeruskop en
coracoacromiale boog.
· Hierdoor slijtage/wear SSP, acuut of chronisch.
· Begeleidt door bursitis/tendinitis; kan leiden tot peesdegeneratie
en later ruptuur distale pees SSP met hypovasculaire deel; is hier gevoelig
voor.
· Impingement door mechanisch trauma of repeterende
microtraumata bij overbelasting.
·
Anatomische
items die impingement bevorderen
} Spurs onder aan acromion
}Hypertrofisch AC-gewricht
}Vorm van acromion
- Type 1: vlak
- Type 2: licht gebogen
- Type 3: haakvormig
anteroinferieure deel van het acromion. Deze is gere-
lateerd met predispositie voor
rotatorcuffrupturen.
Accuraatheid MRI voor
cuffrupturen
· Men is op zoek naar een classificatie.
· Hoge signaalintensiteit op T1 opnames duidt op degeneratie
en inflammatie (biopsie bevestigd)
· Echter ook aanwezig bij asymptomatische personen dus hoge
signaalintensiteit in SSP-pees op T1 opname, lijkt meer op degeneratie en
littekenvorming, niet zozeer inflammatie.
· Bij repeterende entrapment van de pees wordt hij dunner en
irregulair. Verdere schade leidt tot partial of full thickness tear. Sens. MRI
voor cuffrupturen is 91-95%.
· Criteria cufftears: verhoogde signaalintensiteit op T2
opnames met abnormale morfo-logie en discontinuïteit. Eventueel proximale
retractie van de spier/pees.
· Sensitiviteit te vergroten met vetsaturatie T2 gewogen
opnames. Sens. van full-thickness tears van 80 naar 100%.
· Partial thickness tears zijn moeilijker te diagnostiseren;
dit kan verbeterd worden door MRI-arthrografie.
Schouderinstabiliteit
· Is slipping van de humeruskop buiten het glenoïd gedurende
activiteiten.
· Indeling in:
} acuut/recurrent
} subluxatie/dislocatie
} richting: unidirectioneel/multidirectioneel
4
anatomische gebieden zijn bij instabiliteit van belang:
1.
Humeruskop
2.
Gewrichtskapsel
3.
Glenohumerale
ligamenten
4.
Glenoïd/labrum
Ad
1 humeruskop:
Defect
op posterolaterale deel van Hill Sacks humeruskop is tekenend voor eerdere
anterieure luxatie, heeft geen invloed op/risico voor recurrente dislocatie.
Ad
2 kapsel:
Type
1: aan de basis van labrum gelegen.
Type
2: insertie binnen 1 cm. van basis van labrum.
Type
3: insertie op scapulanek minstens 1 cm. mediaal van het labrum.
Laxiteit
van type 3 kapsel is predisponerend voor ontwikkelen schouderinstabiliteit.
Ad
3 glenohumerale ligamenten:
· 3 verdikkingen in het anterieure kapsel
· inferior glenohumerale ligament-labrum complex is
belangrijkste structuur in stabiliseren van de schouder en voorkomen van
anterieure sublux en dislocatie
· beste te zien op MRI-arthrografie. Nadeel: invasief.
· met MRI-arthrografie is de sensit. voor aantonen:
- superieure glenohumerale ligament 85%
- middel glenohumerale ligament 85%
- inferieure glenohumerale ligament 91%
· Met MRI arthrografie is de sensit. voor aantonen ruptuur van
- superieure glenohumerale ligament 100%
- middel glenohumerale ligament 89%
- inferieure glenohumerale ligament 88%
· Sommigen adviseren naast MRI-arthrografie ook een bepaalde
positie: voorbeeld hand op achterhoofd (dislocatiepositie), hierbij beter
ruptuur in inferieure glenohumerale ligament te zien.
Ad
4 glenoïd/labrum:
Sens.
van de MRI voor detecting labrumtears is 44-90%.
Dit
komt door:
· veel variatie in vorm van normale labrum
· de inf/mid ligamenten liggen tegen ant. labrum en kunnen bij
afwezigheid van hydrops gelijken op een scheur in ant. labrum
Het
beste met MRI-arthrografie: sens. 96%.
MRI van de wervelkolom:
MRI
heeft een functie in evaluatie van:
· degeneratieve disc disease
· postoperatief
· infectie
· trauma
· neoplasie
Door
MIR zijn minder myelografieen (=invasief) nodig.
Myelografie
geeft een indirecte of negatieve afbeelding. Met MRI kan de anatomie beter
onderscheiden worden door directe afbeelding van nucleus pulposus, annulus
fibrosus en de kraakbenige eindplaat.
T1
afbeelding:
beenmerg hoge signaal intensiteit (licht)
discus gemiddelde intensiteit
myelum lage intensiteit
T2
afbeelding:
Myelografisch
effect: liquor licht en myelum donker.
Dit
effect is nog beter met “fast spin echo pulse sequence” en “presaturatie” van
vet (?)
Degenerative disc disease (DDD)
In
vroeg stadium soms herkenbaar op conventionele T2 sagittale opnamen voor
verlies van signaal intensiteit.
Beenmerg
grenzend aan de eindplaten verandert in signaal intensiteit bij DDD:
Eindplaat: Type
I: afname signaal in T1 en toename in
T2 door disruptie en scheuren van de eindplaat.
Type II: hyperintens
signaal op T1 en iso-intens op T2 door disruptie met beenmergreacties.
Type III: afgenomen
signaal bij T1 en T2 door sclerosering van het bot.
HNP-diagnostiek:
Definitie bij MRI en CT: focale extrusie van de discus
buiten de grenzen van de aan-liggende eindplaten.
Thoracaal en lumbaal is MRI even nauwkeurig als CT en
myelografie.
Sagittale afbeelding voor achterzijde discus, annulaire
complex en de grens met de dura.
Axiale plaatjes voor kanaal stenosering, facet arthrose,
hypertrofie van ligamentum flavum en wortelcompressie.
HNP heeft een lage signaal intensiteit bij T1 en T2. Bij
sequesterisatie of grote extrusies hoge signaalintensiteit T2.
MRI is even sensitief als CT en CT-myelografie (ca. 90%).
Lumbaal goede correlatie tussen MRI afwijking en klinische symptomen van
radiculopathie!
Cervicaal gelden andere wetten:
MRI minder gevoelig dan CT-myelografie. Vooral osteophyten
minder snel gezien of zelfs verward met discus prolaps. Door speciale
technieken zoals “flow compensation” en uit-filteren va de hartslag kunnen
artefacten verminderen. Met andere trucs kunnen osteo-phyten beter zichtbaar
gemaakt worden en ultra-dunne coupes gemaakt worden (1-2 mm).
NB: DDD komt waarschijnlijk bij meer dan 80% van de 55
plussers voor. De sympto-matologie in relatie met de afbeelding is zeer
belangrijk.
Postoperatieve
wervelkolom
Failed back surgery syndrome + invaliditeit en aspecifieke
pijn na operaties aan de rug. Oorzaken zijn: verkeerde niveau, verkeerde
diagnose, kanaalstenose, instabiliteit, recidief van HNP, arachnoïditis of
epidurale fibrose of littekenweefsel.
Arachnoïditis-classificatie (MRI):
Groep 1: conglomeratie
van wortels in de dura
Groep 2: wortels
naar zijkant gedrukt = empty sac
Groep 3: weke delen
signaal vult de hele dura zonder dat wortels herkenbaar zijn.
Een normaal verschijnsel na decompressie is opstijging van
de zenuwwortel naar boven (62%). Dit moet niet verward worden met
arachnoïditis.
Onderscheid tussen epidurale fibrose (litteken) en recidief
hernia slecht te maken op CT en bij myelografie. Bij MRI is het recidief hernia
te herkennen op vroege T1 opnamen door een lage signaal intensiteit na
toediening van contrastmiddelen (gadolinum). Het litteken kleurt wel aan bij
deze procedure. Voor een onderscheid moet de MRI binnen 9 maanden na de
operatie gemaakt anders is het niet meer te vinden.
Infectie
MRI zeer sensitief en specifiek bij infectie (discitis,
vertebrale osteomyelitis, epiduraal abces), ook cervicaal.
T1: lage signaal
intensiteit van de twee aangrenzende wervels, vernauwing van de intervertebrale
ruimte, subligamentaire of epidurale weke delen massa en erosie van de cortex.
T2: vernauwing intervertebrale ruimte, hoog
signaal in de aangrenzende wervels, hoog signaal van epidurale massa en cortex
erosie.
Gadolinum
verbeterd afbeelding van epiduraal abces en zijn grens. Bij gebruik blijft het
zeer lang zitten en kan bij latere afbeelding verwarring geven.
Genezing
na behandeling kan herkend worden door reductie van inflammatoïre weke delen
massa en door een rand van hoge intensiteit in bot bij T1.
Trauma
MRI
eerste keus bij neurologische schade. Vult CT aan bij wervelfractuur evaluatie.
Met name ligamentaire structuren, traumatische discus prolaps en ruggemerg zelf
beter te zien.
Ruggemergletsel:
belangrijk voor de prognose is het onderscheid in haemorrhagie (slecht) en
oedeem (redelijk) en transsectie (infaust).
Hematoom:
afname signaal op T2 en isointens op T1.
Oedeem:
afname signaal op T1 en toename op T2.
Neoplasie
Radinucleïde
botscan relatief ongevoelig voor beenmergziekten (leukemie, lymphoom, myeloom),
ook worden soms agressieve metastaserende tumors gemist.
Met
MRI: directe afbeelding van beenmerg. Op T1 beenmerginfiltratie zichtbaar door
afname signaalintensiteit. Op
“short T1 inversion recovery sequences” (STIR) merg-tumoren helder wit.
Skeletscan
goed als screener van abnormale haarden: MRI is dan nodig om te onder-scheiden
tussen b.v. metastasen in de wervelkolom of DDD osteoporotische fractuur of
fractuur bij meta.
Selected Topics
(varia)
Osteonecrose:
= celdood in bot en merg.
Avasculaire
necrose (AVN) epifyse of subarticulair.
Botinfarct:
in metaphyse/diaphyse.
Voorbeeld:
AVN femur (kopnecrose)
- Oorzaken: CCS gebruik, trauma (collum, dislocatie), alcohol,
collageen en vaat-ziekten, hemoglobinopathieën.
- Jonge en middelbare leeftijd.
- Therapie: core decompressie, voordat subchondrale fractuur is
ontstaan (Ficat III), vrije botgraft, gevasculariseerde graft, elektrische
stimulatie, sugioka rotatie-osteotomie.
- Diagnostieken stadiering van AVN geheel afhankelijk van
radiologische afbeelding: röntgenfoto, skeletscan, CT en MRI
Röntgenfoto:
Eerste
onderzoek, in 2 richtingen is beter:
Ficat
stadiering voor femurkopnecrose:
-
Stage 0: preklinisch en preradiografisch
-
Stage I: symptomatische patiënt maar normale
röntgenfoto
-
Stage II: veranderingen trabecels met sclerose
-
Stage III: subchondrale fractuur met segmentale
collaps
-
Stage IV: progressieve collaps met deformatie van
het caput, gewrichtsspleet-vernauwing, osteophyt vorming (secundaire arthrose)
Skeletscan en MRI
beiden sensitief voor detectie in vroege stadia. CT minder.
MRI
tevens het meest specifiek en daarom eerste keus in AVN.
MRI
femurkopnecrose: abnormaal segment in caput, begrensd door signaalarme lijn (T1
en T2). Meestal in anterosuperieure deel. Double line sign pathognomisch voor
AVN en in 80% aanwezig. subchondrale fractuur beter te zien op T2.
Als
meer dan 45%, slechte prognose, van het caput is aangedaan, dan leidt dit bijna
altijd tot collaps.
Infectie
Bot/weke
delen:
Normale röntgen:
periostale reactie trabecel/cortex-destructie, weke delenzwelling, vervaging
van vet. Verandering in bot pas na 10-12 dagen zichtbaar.
Radionuclide scan:
met technetium of gallium of leucocytenscan of immunoglobulines kunnen
sensitiviteit en specificiteit tot 100% komen. Anatomie echter slecht te zien.
MRI:
osteomyelitis en cellulitis goed herkenbaar. T1: verdrukking van normaal
beenmerg door lagere signaalintensiteit. T2: door hogere (oedeem).
- MRI gelijk aan of beter dan scintigrafie bij osteomyelitis
en sensitiever voor weke delen.
MRI kan infiltraat van abces (met gadolinum) onderscheiden.
- MRI beter dan CT voor detectie abces en osteomyelitis en
voor uitbreiding in de weke delen.
- Met gadolinum betere detectie van abcessen en betere
sensitiviteit en specificiteit voor osteomyelitis.
Speciale moeilijke gevallen
Chronische osteomyelitis:
Op
normale röntgenfoto gemengde botdichtheid, sclerose, sequester, cloaca en
involucrum. Activiteit moeilijk te schatten. Hiervoor is MRI nodig (100%
sensitief). T2 hoge signaal intensiteit is actief. Ook hier is MRI beter dan
scintigrafie en CT.
Infectie bij kinderen:
Symptomatologie
en laboratorium kunnen anders zijn of niet veranderen. Normale röntgen door
open groeischijven vaak lastig te interpreteren. Scintigrafie “heet” bij
volwassenen doch bi kinderen soms juist koud door compromittatie van de
periostale bloedstroom (subperiostale pus). Dan cold spots. Laag sensitief door
lastige interpretatie. Voordeel van scintigrafie is de detectiemogelijkheid van
multifocaliteit (in 20% aanwezig). MRI het meest sensitief en specifiek. Bij
kinderen echter lastig uitvoerbaar (sedatie nodig). Tevens slechts een focus
tegelijk af te beelden
MRI
reserveren voor bekken, wervelkolom, indien geen goede respons op antibiotica
en voor preoperatieve evaluatie van abcessen.
Echo
bij heupinfecten nuttig: goede negatieve voorspellende waarde voor septische
artritis als effusie afwezig is. Echter: steriele effusie niet te onderscheiden
van septische en osteomyelitis niet zichtbaar.
Infectie rond prothese:
Voor
scintigrafie en normale Xf, omdat metaal artefacten geeft op MRI en CT.
Met
Xf en CT mechanische en septische loslating niet te onderscheiden.
Botscan
met 99TC-MDP: focale uptake aan de tip van de prothese, gecementeerde, is
suggestief voor mechanisch terwijl activiteit rond de hele steel wijst of
infectie.
NB:
1.
scintigrafie
het eerste jaar na implantatie niet goed bruikbaar
2.
10% van
asymptomatische pt. Ook enige uptake
3.
cementloze
prothesen vaak jarenlang activiteit
Leucocytenscan
gecombineerd met TC-sulfur de beste techniek bij infectie van prothesen.
Sommigen gebruiken echo.
Infectie bij diabetische voet:
Normale
Xf moeilijk te interpreteren door reeds aanwezige neuropathische afwijkingen
(gewricht destructie, bot fragmentatie en weke delen zwelling).
Voor
detectie infectie is scintigrafie middels gecombineerde leucocyten-botscan prima.
Anatomische
resolutie van scintigrafische technieken is echter laat. Daarom is MRI bij
preoperatieve planning beter.
1.
Afgrenzing van
infectie in bot en weke delen in MRI scherper.
2.
MRI is tevens
kosteneffectiever.
Tumoren
Bot
(I) (primair, meta, beenmerg infiltratie) en weke delen tumor (II).
Altijd
eerst normale Xf: patroon grens, matrix, locatie en periostale reactie
beschrijven. In combinatie met leeftijd en sexe is meestal al een diagnose te
maken.
Andere
afbeeldingtechnieken hebben meer een functie in stadiering.
- MRI: eerste keus voor solitaire bottumor
(intra-extramedullaire en weke delen uitbreiding beter te zien). Sommige
benigne tumoren lijken echter agressiever dan ze zijn op MRI.
Daarom altijd normale Xf erbij zien.
- CT: beter voor platte beenderen, osteoïd osteoom en voor
evaluatie van mineralisatie, cortex destructie, weke delen calcificatie.
- Botscan beter bij verdenking multifocaliteit (meta)
CT-thorax
voor stadiering van primaire bottumor.
MRI-angiografie
vervangt tegenwoordig de conventionele angiografie voor preoperatieve planning
lidmaatsparende chirurgie.
MRI
kan gebruikt worden voor onderscheid:
Benigne
is van maligne te onderscheiden door (twijfelachtig): tumor grootte,
afgrens-baarheid, peritumoraal oedeem, homogeniteit, signaal intensiteit,
betrokkenheid neuro-vasculaire structuren en omgevende weefsels.
MRI
tevens voor preoperatieve planning en evaluatie van respons >90%=goed, op therapie (hoeveelheid necrose).
Evaluatie van respons op therapie (moeilijk)
- Resttumor soms lastig te onderscheiden van necrose: door
dynamisch versterkte MRI methoden 100% sensitiviteit verkrijgbaar. Gadolinum
geeft vals-positieve waarden.
- Vasculariteit van tumor door MR-angiografie (beter dan
conventioneel) of echo doppler-techniek.
- Respons op chemotherapie wordt ook gemeten met scintigrafie
(201 Th chloride): tumoren die goed reageren nemen minder Thallium op.
- PET-scan: hoge glucose utilisatie bij agressieve tumoren.
Conclusie: nog geen ideale techniek op tumor respons te bepalen.
Follow up
MRI
en CT bieden sensitief doch niet specifiek. Veel misinterpretaties (seroom,
hematoom, vetnecrose, herniatie van organen).
Echo
waarschijnlijk even sensitief als MRI. Echo is subjectief en alleen in ervaren
handen goed.
Allografts
en cryochirurgie: waarschijnlijk het best met MRI te evalueren.