Hoofdstuk 17

 

 

BONE AND JOINT INFECTIONS

 

 

I  Acute hematogene osteomyelitis

 

Infectieus proces van bot en merg

·       Pyogene micro-organisme

·       Granulomateuze ontsteking (tbc, etc)

 

Organismen:

Meest voorkomende onder alle leeftijden:

1.    stafylococcen aureus (50-70% bij kinderen tussen 1 maand -  5 jaar.

2.    haematologische streptococcen A + B (B vooral bij 0-2 maanden)

3.    H. Influenza: af en toe bij neonaten. Veroorzaakt vaker septische arthritis +/- meningitis.

 

 

Pathofysiologie

 

Experiment van Emslie: intra veneuze injectie bactiereën: kan solitaire abcessen in metafyse geven.

 

 

Bloedvoorziening epifyse en metafyse

 

Predispositie voor metafyse hangt samen met architectuur vascularisatie.

Kind: groeischijf voorkomt vaak uitbreiding van infectie vanuit metafyse.

Volwassene: metafyse (a) in continuïteit met epifyse (b); infectie primair in a of in b.

Zuigeling: uitbreiding in epifyse mogelijk in verband met penetrerende vaten door groeischijf.

Voorkeurslokalisatie infectie hangt vermoedelijk samen met aandeel groei van desbetreffende groeischijf (dus vaker voorkomen in distale femur/proximale tibia).

 

 

Infectieus proces en gevolgen

 

1.    Ontstekingsreactie en formatie pus

2.    < 48 uur beschadiging capillairen

3.    Formatie pus: verspreiding via haverse kanalen; subperiostale abces formatie; stripping periost; eventueel ruptuur periost en verspreiding in weke delen.

4.    2 en 3 geven necrose van bot; scheiding van gezond bot door granulomateuze reactie = sequester; formatie van nieuw bot door periost (involucrum); dit omgeeft het geïnfecteerde bot en sequesters; in involucrum kunnen weer ontstaan (cloaca)

 

 

Kliniek

Pages 318-319 missing)

 

 

 

Diagnostiek

 

MRI Waardevol bij afwijking merg; maar niet specifiek voor osteomyelitis.

Op T1: lagere en T2 hogere intensiteit. MRI is meest betrouwbaar, echter spec. Laag. MRI eerder afwijkingen dan röntgen.

 

 

Aspiratie en biopsie: (=nodig)

 

Aspiratie bij 80% positief, bij kinderen 50% + bloedkweek;

Aspiratie wil niet zeggen osteomyelitis; naald biopsie niet adequaat, je moet de verwekker achterhalen.

 

 

Behandeling

 

Orale of parenterale antibiotica in die dosering die adequate spiegels geeft in bloed en bot.

>1 jaar staf. aureus: oxacilline; 1e generatie cefalosporinen (cefazolin) en 3e generatie (cefotaxime).

Bij peni allergie: clindamycine; vancomycine

<1 jaar Streptococcen B; E coli: oxacilline met gentamycine; 3e generatie cephalosporine

Bij sickle cell disease: staf aureus of salmonella: 3e generatie cephalosporine.

Duur:        4 tot 6 weken; duur parenteraal controversieel; trend=3 weken.

                 Continuering ogv: temperatuur; leuco’s ; BSE; lokale symptomen

Dosering: cefaxonlin:      kind: 100 mg/kg/dag in 3-4 doses

                                        volwassene: 1 gram a 8 uur

                 cefatoxime      kind: 150-200 mg in 4 doses

                                        volwassene: 2 gram a 8 uur.

Orale antibiotica (quinolone) bij gram - (h influenza;e coli; proteus)= mogelijkheid.

Concentratie in bloed/bot iv=oraal bij Bactrimel; quinolones; clindamycine.

 

 

Behandeling

 

Doel: vermindering pijn gedurende ab behandeling (brace bij ambulante therapie).

Bovenste extremiteit: gedurende ab behandeling: onderste extremiteit; “+4-6 weken.

 

 

Chirurgische procedure

 

Indien geen respons binnen 36 uur op ab: waarschijnlijk pus in metafyse of subperiostaal ® chirurgische drainage (zo nodig tourniquet; geen bloedleegte).

Indien aangrenzend gewricht gezwollen: eerst puncteren voor drainage abces!!

Operatie: evacuatie pus; zonodig excisie gedevitaliseerde weke delen; indien zachte plekken in cortex: opboren of intraossale aspiratie (laatste 2 controversieel)

De waarde van gesloten drainage systemen = niet bewezen; mogelijk zinvol bij chronische osteomyelitis (tevens kans op secundaire infecties).

 

 

Prognose en complicaties

 

Acute haematogene osteomyelitis valt te genezen bij snelle diagnostiek en juiste antibiotica. Bij late diagnose slechts 25% kans op genezing.

Recidief kans: afhankelijk van lokatie:       metatarsalia                               50%

                                                                  metafyse femur en tibia         20-30%

 

Complicaties:    bij nenoaten: septische arthritis

                          groeiversnelling of vertraging ® beenlengte discrepantie

                          pathologische fractuur (vooral bij chronische osteomyelitis)

 

 

II  Subacute osteomyelitis

 

Kliniek: pijnlijke extremiteiten; niet ziek; geen eerdere klachten; geen lokale aanwijzingen voor infectie, 50% van populatie geen labafwijkingen; X: duidelijke laesie (meestal femur of tibia).

 

 

Radiologie: Brodie’s abces

 

Meestal in metafyse pijpbeenderen en manifestatie van subacute osteomyelitis.

Gradering:

 

metafyse:

·       type 1: solitaire metafyse laesie + sclerotische rand met evt. communicatie epifyse

·       type 2: = type 1 minus sclerotische rand + verlies aanliggende cortex

 

diafyse:

·       type 3: diaphysaire laesie met corticale hypertrofie + endostale en periostale botvorming. D.d. osteoïd osteoom.

·       type 4: gelaagde opbouw periostaal bot (uienring aspect); corticale hyperostosis; intramedullaire radiolucente gebiedjes. D.d. Ewing sarcoom.

 

 

III  Subacute epifyseale osteomyelitis

 

Mogelijkheid van geïsoleerde afwijking in epifyse (circulair/ovaal; eccentisch; sclerotische rand) zonder communicatie met metafyse. DD Ewing, ABC; simpele cyste; chondroblastoom; chondromyxoïd chondroom.

Organisme: alleen stafylococcus aureus.

Behandeling:     Bij afwezigheid subperiostaal abces: 48 uur iv ab; daarna 6 weken oraal; immobilisatie.

                          Bij abces: chirurgische drainage.

Ross/cole: genezing zonder drainage mogelijk. > 50% geen organisme aangetoond.

 

 

IV   Chronische osteomyelitis

 

Etiologie:           Inadequate behandeling acute hematogene osteomyelitis (>1/3)

                          Post chirurgisch

                          Na penetrerend letsel; infectie bot secundair aan weke delen infectie

                          (- factoren: diabetes, steroïden, immuun gecompromitteerden, onder-   voeding, roken)

Risicofactoren: ouderdom, debilitas, iv druggebruik.


Organismen

 

·       Staf. aureus bij niet genezende acute hematogene osteomyelitis.

·       Polymicrobieel/staf. aureus na trauma.

·       Staf. epiderdimis; schimmels bij prothese/vreemd lichaam.

·       Gram - steeds vaker oorzaak: > 50%!!

·       Polymicrobieel bij infectie secundair aan weke delen infectie.

·       Pseudomonas bij prikgat verwonding (voet)

 

 

Late complicaties

 

·       maligniteit (epidermoïd carcinoom) langs persisterend (producerend) fistelkanaal.

·       Persisteren infectie (- factoren drainerende sinus: betrokkenheid gewricht)

 

 

Stagering

 

·       Type 1: medullair; geïnfecteerde nidus ligt endostaal

·       Type 2: superficiële osteomyelitis (periost+cortex); secundair aan weke delen infectie.

·       Type 3: gelokaliseerde afwijking in medulla en cortex + of - weke delen (evt. sinus/cloacae)

·       Type 4: diffuse afwijking bot; instabiel voor of na chirurgische behandeling.

 

Behandeling wordt sterk bepaald door conditie patiënt (verder gezond ¬> ernstig gecompromitteerd.

 

 

Behandeling

 

Chirurgische:

type 1:   corticale “deroofing” (botdeficiëntie – evt. lokale spierlap.

type 2:   decorticatie van deel cortex+resectie avitale weke delen.

type 3:   uitruimen medullaire component+cortex+ weke delen. Bij benige instabiliteit: fixateur externe.

type 4:   en bloc resectie; externe fixateur; in 2 instantie reconstructie      (prothese/allograft etc.).

 

Antibiotische: vanzelfsprekend na diagnostiek. (nb geen kweek fistelkanaal; te prefereren botbiopsie bij prothesen is vriescoupe betrouwbaar; cave vals positiviteit bij onder andere reumatoïde arthritis).

 

Langdurig antibiotica: voorkeur voor niet toxische; niet invasieve; kosten effectieve ab

Serum concentratie ab> 8 maal minimale bactericide concentratie (Clindamycine verreweg beste bot penetratie)

Duur: 4 weken - 3 maanden (kinderen korter)

Gesloten spoelsysteem kan geïndiceerd zijn (controversieel); complicatie: bloeding.

Voorkeursbehandeling blijft: chirurgische debridement + antibiotica.

 

 

Behandeling dode ruimten

 

1.    Klein botdefect: weke delen lap.

2.    Cancellom(?) 4 cm: bot grafting; pas na initiële debridement en rustige wond (3 weken). Goede drainage na gafting noodzakelijk voor ingroei bot.
Groter defect: myocutane lap (bv proximale en middelste deel tibia)
Complicatie: avitaal worden lap: persisteren infectie: fractuur bot.

3.    Alternatief laesie > 6 cm + weinig verlies weke delen: gevasculariseerde botspaan (fibula+spina iliaca)
 Voordeel: goede bloedvoorziening; mogelijk betere lokale penetratie ab; mogelijk binnen 2 weken na debridement.
Complicatie: falen vascularisatie; recidief infectie; delayed/non union spaan
Studie Wood: 85% controle infectie; 38% non union graft.

4.    Andere opties: Bypass graft,

5.    Illizarov techniek: eerst debridement, vervolgens inkorten bot; illizarov; osteotomie boven en onder laesie: vervolgens verlengen (>4 cm is mogelijk)

6.    Amputatie.

 

 

V  Chronische scleroserende osteomyelitis

 

Vooral bij kinderen/jong volwassenen. Aetiologie is onbekend. Veroorzaker (mogelijk) anaeroben.

Histologie: niet specifieke chronische ontsteking; niet botvorming; gebieden met necrose.

Kliniek: plotseling ontstaan; lokale botpijn; verhoogde BSE; meestal schacht lange pijp-beenderen.

Röntgen: duidelijke sclerose met kleine cysten.

DD: moeilijk te onderscheiden van osteogeen sacroom. Ewing, osteoïd osteoom; Paget.

Geen goede behandeling mogelijk. Fenestratie en curettage slechts tijdelijk klachten-vermindering.

 

 

VI  Osteomyelitis van handen en voeten

 

Infectie in hand: vaak door bijtwonden (mens/dier) en prikgat verwondingen. Pseudomonas (aeruginosa) nogal eens verantwoordelijk.

Vaak delay: diagnose door weinig klinische symptomen. Aanvullend onderzoek: scintigrafie.

Behandeling: debridement + ab: parenteraal: 3-6 weken. (penicilline+aminoglycoside/3e gen cephalosporine).

 

 

VII  Osteomyelitis in bekken

 

Presentatie: acute septische arthritis; discitis met ischialgie; acute buit.

Veroorzaker: meestal staf aureus; 70% + bloedkweek. AO scintigrafie: CT.

Behandeling: ab alleen kan voldoende zijn (zeer goede bloedvoorziening bekken)

DD: eosinofiel granuloom; leukemie; neuroblastoom; Ewing.

 

 

VIII  Complicaties van iv druggebruik

 

Septische arthritis en osteomyelitis.

Veroorzakers: pseudomonas; staf aureus; serratia.

Lokalisatie: axiale skelet; lumbale wervelkolom; sacroiliacaal gewricht.

 

 

 

IX   Osteomyelitis veroorzaak door andere organismen

 

1.    Brucella: in gewrichten en bot (platte en pijp); meestal B abortus; meestal lumbale wervelkolom; bij mensen werkzaam in vleesverwerkende industrie.
Behandeling: immobiliseren/debridement/ab: doxycycline; kinderen; Bactrimel en gentamycine.

2.    Salmonella: vaak bij sickle cell (74%). DD botinfarct (botscan geeft bij osteomyelitis verhoogde opname; niet bij infarct). Ook bij andere haematogene aandoeningen. (SLE).
Behandeling: 3e gen. Cephalosporinen (geen ofloxacine bij kinderen).

3.    Aneroben: open wonden; fistelkanalen; vaak anaeroben (misleidend resultaat). Probleem vanzelfsprekend is diagnostiek (geen blootstelling aan O2)
Nogal eens bij vasculair gecompromitteerden. Bejaarden.
Behandeling: clindamycine; flagyl.

 

 

X  Granulomateuze infecties van het bot

 

Schimmels:

 

Blastomycosis:

Endemisch bepaalde delen USA. Via de longen haematogene versprei-ding. Vaak multipele ossale laesies (meta en epifyse) kleine en grote beenderen en botuitstekels.

Diagnose; kweek van biopt. Behandeling: amfotericine.

 

Coccidiomycosis:

Endemisch zuidwest USA. Oorzaak: inhalatie sporen ® longziekte; gewichtverlies; huid laesies; eosinofelie en soms arthritis.

Diagnose door huidtest (soms - bij gedissemineerde vorm). Behandeling: chirurgisch en amfotericine.

 

Actinomycosis:

Via de mond ® weke delen infectie ® mandibula; aangezichtsbeenderen.

 Behandeling: penicilline 6 weken iv + tot 1 jaar oraal.

 

Cryptococcosis:

Bij immuun gecompromitteerde (aids); ip alle botten.

Radiologie: radiolucente laesies; periostale reactie niet gebruikelijk. Behandeling: amfotericine.

 

Mycetoma:

Via schaafwond, gecompliceerde fractuur, prikgat. Geven tumorachtige laesies aan bot (1. Actinomyces en 2. Eumycetes). Behandeling: 1. Streptomycine en dapsone. 2. Radicale resectie bot en weke delen.

 

Syfilis:

Congenitaal of verkregen. Veroorzaker, treponema pallidum. Meta en diafyse; niet in gewrichten.

 

Congenitaal:

Kliniek: kind is prikkelbaar en rusteloos. Grote pijnlijke zwelling rond gewricht; huidlaesies; keratitis. Radiologie: periositis/elevatie periost; lagen van nieuw bot. Diagnose: histologie; serologie eerste 3 mnd. - vroege vorm: snelle reactie op ab.

Late stadium: rond 3-4 jaar: osteïtis tibia/femur/schedel; keratitis; gedeformeerde snijtanden; uitval nervus. 8-18 jaar bilaterale pijnloze hydrops knieën = Clutton’s gewricht.

 

Volwassenen:

Late uiting van ziekte is betrokkenheid bot (pijnloze zwelling schedel); DD Paget, stadium III. Typisch is: perifere neuropathische aandoeningen (Charcot gewricht), dus geen pijn.

 

Yaws:

(Afrika, Azië, India); primair maculopapulaire laesies; na paar mnd papillomas - daarna weke delen en bot - contracturen ankylose. Behandeling: penicilline.

 

Tuberculose:

Veroorzaker Mycobacterium T. Gewricht en bot secundair aan haema-togene verspreiding. Lokalisatie; meest voorkomend wervelkolom. Ziekte langzaam progressief = afhankelijk van conditie patiënt. Diagnose: mantoux (80-90% + bij actieve aandoening); microscopie: zuurvaste staven. Lab.; leuco’s en BSE, afhankelijk van mate ernst aandoening.

 

Tuberculeuze osteomyelitis:

Zelden in lange pijpbeenderen; bij kinderen soms in metafyse.

 

Tuberculeuze dactylitis:

Multipele zwellingen van vingers; lytische haarden in falangen en metacarpalen; tevens periost.

 

Tuberculeuze arthritis:

Subchondrale osteoporose; cysten; vernauwing gewrichtsspleet. DD. Reuma; pvns.

Behandeling: vroege vorm (medicamenten veelal voldoende); verbeteren voedingstoe-stand/conditie: 4 tuberculostatica (isoniazide; rifampicine; ethambutol; pyrazinamide).

Ten aanzien van gewricht: spoelen, zondig in verband met biomechanische redenen of pijnvermindering; arthrodese.

 

 

XI  Septische arthritis

 

Oorzaak: direct contaminatie; haematogeen; uitbreiding vanuit bot.

Kliniek: koorts; zwelling en bewegingsbeperking; meestal monarticulair (1.knie; 2.heup) Volwassenen: 50% eerdere arthritis; 30% trauma. Reuma alle gewrichten; iv druggebruik; sc en sacroiliacaal gewricht.

 

Septische arthritis bij kinderen:

50% < 3jaar, 30% < 2 jaar. Meest voorkomend in heup.

Kliniek: pijn aangedane gewricht; functiebeperking kunnen enige verschijnselen zijn ® uiteindelijk abces; heupluxatie; Cave: huidlaesies of infectie elders in het lichaam.

 

Aetiologie:

Kinderen; staf aureus (leeftijd afhankelijk); streptococ.; < 2jaar, haemofilus B (voor immunisatie); toenemend; gram-; e-coli; proteus; klebsiella; zeldzaam is pseudomonas.

(Jong) volwassenen; gonorrhoe; gram-; bij prothesen; staf epiderdimis.

 

Radiologie:

Heup: weke delen schaduw; subluxatie; lateralisatie; luxatie; na 1 mnd opheldering in heup (X). Volwassenen: destructie: subchondraal bot; kraakbeen; gewrichtsspleet vernauwing.

 


Diagnose:

Punctie gewrichtsvloeistof (kweek bacterieel); leuco’s; telling cellen; gram preparaat; glucose concentratie vaak lager dan in serum. DD: belangrijk is controle op uraat en calcium pyrofosfaat crystallen.

DD: kortdurende synovitis (belangrijkste oorzaak geprikkelde heup < 10 jaar). Geen koorts; lab gb, osteomyelitis, perthes, cellulitis, crystallen, reumatoïde arthritis, hemofilie, henoch schonlein.

 

Behandeling:

<5 jaar empirische behandeling staf aureus; streptococ; haemfilus; cefotaxime; ceftitoxime. Jong volwassenen: ceftriaxone (ivm gonorrhoe).

Ouderen: vancomycine en gentamycine (staf epidermidis en aureus).

Toediening: eerst parenteraal; totale duur 2-3 weken.

 

Chirurgische drainage:

Chirurgische drainage is controversieel; incisie van kapsel van heup leidt tot acute verbe-tering van klinische toestand.

Het probleem van continue gesloten drainage is additionele contaminatie. Voor “opper-vlakkige” gewrichten is arthroscopisch spoelen een optie.

 

Immobilisatie:

Studie van Salter; wel immobiliseren, maar toch zo snel mogelijk mobiliseren gezien kans op adhaesies.

 

Complicaties:

De prognose van septische arthritis is goed, bij snelle behandeling met ab. De uiteindelijke vorm van het kraakbeen oppervlak wordt bepaald door evt. schade aan de groeischijf. Chronische septische arthritis (synovectomie kan geïndiceerd zijn).