Hoofdstuk 18
AMPUTATIES EN PROTHESES BIJ VOLWASSENEN
Oorzaak
amputaties:
Trauma
Infectie
Tumoren
Ischaemie (vasculair)
®
nu 80% van alle amputaties congenitaal
Preoperatieve
voorbereiding: niveau van amputatie afhankelijk van genezingstendens (sensibiliteit
en ischemische pijn) en mogelijkheid voor dragen prothese.
Operatie:
Chirurgisch
sparen van weefsel, indien mogelijk.
Huid
moet gezond zijn met goede sensibiliteit.
Plaats
litteken niet zo belangrijk (prothese omvat hele stomp).
Spieren:
Als
spierfunctie verloren gaat krijg je atrofie en afname functie.
Overgebleven
ledemaat: spieren en pezen daarom vasthechten aan bot (myoplastie) of aan
elkaar (myodese); dit leidt tot goede spierfunctie en voorkomt de vorming van
pijnlijke bursae; deze techniek mag de huid niet compromitteren: dan alleen
fascie sluiten.
Voorkomen neuroom:
Begraven
in bot.
Cauterisatie
Crushen
Injectie
met chemicaliën
Ligatie
(beperkt de vorming van neuroom en voorkomt uitgroei; ook bloedvaten ligeren)
Bij
kinderen periost ½ cm. van amputatie niveau verwijderen om bot degeneratie en
spoorvorming te voorkomen. Bij volwassenen periost sluiten over botuiteinde om
merg-kanaal af te sluiten.
Postoperatief:
strakke verbanden om door druk oedeem te voorkomen en bescherming stomp; samenspel
chirurg en revalidatie-arts; snel oefenen om functie te behouden; vroege
postoperatieve revalidatie kan stomp- en fantoompijn voorkomen.
Complicaties
wondgenezingsstoornis (ischaemie huid en/of diepere
structuren)
wondinfecties: draineren, debridement, antibiotica, evt.
secundaire wondsluiting, reamputatie.
Regionale
amputaties
Voet: amputaties verstoren gang en evenwicht.
Grote teen: balans en push-off (afwikkelbalk onder schoen).
Transmetatarsale amputatie: huid voetzool gebruiken als
bedekking; als enkel en voetspieren intact zijn krijg je geen muscle
rebalancing (schoenaanpassing; lopen gaat goed, rennen moeilijk.
Lisfranc en Chopart amputaties.
Pirogoff (calcaneus
naar voren geroteerd en gefixeerd aan tibia).
Boyd (talectomie,
foward shift calcaneus en calceneotibiale fixatie).
Amputaties door tarsometatarsale gewrichten en door
middenvoet verkleint het voetplatform en verstoort lange peesinserties: vaak
gefixeerde equinovarusdeformiteit door gastrocnemius en tibialis
posterior (verlies van peroneus longus en lange teenextensoren): voorkomen door
transfer insertie tibialis anterior naar midline dorsum van de voet en
doornemen tibialis posterior.
Protheses bij midden- en voorvoetamputaties is moeilijker
dan bij Syme amputatie.
Syme amputatie:
Amputatie op het niveau van de enkel: malleoli worden
verwijderd (calcaneus wordt subperiostaal verwijderd met spieren en tibialis
posterior, voetzool sluiten over tibia); stabiele amputatie, goed belastbaar.
Onderbeensamputatie:
Meest voorkomende (veel ischemisch).
Amputaties ter hoogte van distale 1/3 geeft vaak te weinig
weke delen bedekking. Als er te weinig onderbeen overblijft dan kiezen voor
kniedisarticulatie of bovenbeenamputatie.
Lange posterieure huidflap houden met onderliggende
muyofasciale lap, naar distaal steeds dunner maken, en vasthechten aan
anterieure periost en diepe fascie van voorste tibiafibulaire gebied.
Zenuwen hoog doornemen en ligeren; fibula 1½ cm hoger
dan de tibia.
4-6 weken na OK tijdelijke prothese (als wond genezen is).
Jonge mensen met onderbeenprothese kunnen rennen en
springen; bij jonge mensen tibiofibulaire synostose overwegen.
Knieamputatie:
Snel, weinig bloedverlies.
Voordeel: goede
afsteuning op condylen, goede steunfunctie.
Nadeel: bulky
stomp: forse prothese
verlies
kniefunctie
containment
minder fraai
Moderne protheses lossen veel van deze problemen op.
Bij actieve patiënten is een kniedisarticulatie te verkiezen
boven een bovenbeenamputatie (niet geschikt voor ischemische
problemen)
Sagittale incisie met mediale en laterale flappen.
Patellasparend, patellapees vasthechten aan stomp,
kruisbanden in de notch.
Bicepspees en een of meer hamstrings ook vasthechten in de
notch.
Gritti-Stokes amputatie: patella wordt distaal van femur
geplaatst (bovenbeen langer moeilijker voor fitting prothese).
Bovenbeenamputatie:
Stabilisatie door middel van lange heup/dijbeen spieren,
zoveel mogelijk intact laten.
Goede spanning over abductoren en quadriceps (goed
vastzetten op femur)
Heupdisarticulatie:
Zelden noodzakelijk.
Protheses zelden geïndiceerd in deze patiëntengroep.
Protheses wel mogelijk, lopen met stok.
Hemipelvectomie of hemicorporectomie:
Tumor bekken.
Prothese niet goed mogelijk.
Polsdisarticulatie:
Pronatie en supinatie blijft intact; goede prothese functie
mogelijk (elektrisch).
Onderarmamputatie:
Distale spierstabilisatie noodzakelijk (myoplasty), proberen
elleboog te behouden (elektrische prothese).
Elleboogdisarticulatie:
Zelden, te verkiezen boven bovenarmamputatie.
Bovenarmamputatie:
Proberen humerus (evt. alleen kop) te behouden, distale
spierstabilisatie belangrijk (elektrische prothese).
3 Typen protheses: bestuurd door
lichaamsbeweging/electrisch/gecombineerd.
Schouderdisarticulatie, four-quater amputatie:
Oncologie, bij jonge patiënten leidt dit tot scoliose.
Prothese voor cosmetiek, vaak “hiking” van scapula door
afwezigheid gewicht arm.
Pijn na
amputatie:
Pijn in de stomp, fantoompijn.
Voet postoperatief beleid is van grote invloed op de mate
van deze pijn en de duur. Rigide verband voorkomt oedeem en bevordert
wondgenezing.
Fantoompijn wordt minder in de 5e - 6e
week.
Af en toe fantoompijn kan hele leven duren.
Chronische pijn: regionaal of fantoompijn.
Preoperatieve pijn predisponeert tot het krijgen van pijn na
de operatie.
Onderzoek voorkomen
van:
Neuroom
Botonregelmatigheid
Invloed
spiercontracties op pijn
Kleur,
voedingstoestand, circulatie, oedeem
Dystrofie
Therapie: electrisch, fysisch, chemisch, psychologisch.
Terughoudend met verslavende pijnmedicatie en chirurgie,
evt. verwijderen neuroom.
Reamputatie zelden geïndiceerd hiervoor.
Bepalen
amputatie niveau:
Huidtemperatuur, doppler/bloeddrukmeting, pO2, pCO2, laser
doppler flowmetrie.
Protheses
Materiaal nu: plastic (lichtgewicht), composieten en
lichtmetaal.
Componenten:
1. socket
2.
terminal
device
3.
body
4.
Comfort: fitting, materiaal, stabiliteit, dynamisch,
betrouwbaar.
Electrische besturing (schakelaars of myoelectrische
signalen uit resterende spieren aangedane ledemaat).
Endosketale design: binnenframe als steunpilaar.
Exosketale design: geen binnenframe, buitenkant is
afsteuning.
Voet- en enkelprotheses:
Teen/ metatarsofalangeaal / transmetatarsale amputatie:
voorvoet schoenvuller en schoenaanpassing (stijve zool, afwikkelbalk).
Middenvoet / Boyd / Pirogoff amputatie: hoge schoen met
enkel/voet orthese.
Syme amputatie: volledige voetprothese vast aan
patellartendon bearing orthese.
Onderbeenprothese:
Total-contact-socket, afsteuning op patellapees,
tibiaplateau, eventueel uitbreiding naar bovenbeen.
Kniedisarticulatie prothese:
Zijwaarts geplaatst “knie” gewricht.
Bovenbeenprothese:
Technisch moeilijker, heupgordel.
Heup disarticulatie / hemipelvectomie:
Meestal geen prothese, jonge patiënten: prothese
inclusief heupgewricht, altijd stok
nodig.
Bovenste extremiteit prothese:
Gecompliceerd, prothese mechanisch aangestuurd door
substituut spiergroepen. (kabel- systeem) of electrisch systeem.
Polsprothese:
Hand of haak.
Amputatie bij
kinderen
Congenitale amputaties: oorzaak 4-8 weken na bevruchting.
Thalidomide (softenon) syndroom: focomelie van 2 of 4
ledematen en gelaat-, hart-, genitale- en urineweg- afwijkingen.
Andere oorzaken congenitale amputatie:
D.M., hydramnion, rubella, amnionbands, uteruskrampen,
chromosomale afwijkingen, compressie in uterus (uterus bicornuata, weinig
anionvloeistof), vasculaire deficenties.
Roken en alcohol: limb. defects mogelijk door vasculaire
spasmen.
Verworven amputaties: trauma (70%), oncologie,
ledemaatinfarcten bij DIS (stafylo-coccen en streptococcen, meningococcen,
sepsis), chronische osteomyelitis, pseudarthrose bij neurofibromatose.
Congenitale
limb deficiënties
Altijd denken aan andere systeemafwijkingen!!
Classificatie: Brutok, revisie van de Trantz en O’Rahilly
system.
Amelia: afwezigheid ledemaat in totaal.
Meromelia:
partieel defect: terminaal: einde
ledemaat
intercalary:
middendeel
Preaxiaal defect: in radius of tibia.
Postaxiaal defect: ulna of fibula.
Denk ook aan andere skeletafwijkingen: bij lange
botafwijkingen vaak hand of voetaf-wijkingen, scoliose.
Zo snel mogelijk oefenen met defecte ledemaat, protheses
vanaf 3-6 mnd oud arm
6-12
mnd. oud been
Verworven
ledemaat deficiënties
Voor amputatie al oefentherapie.
Let op neuropathie.
Chemotherapie kan leiden tot: cardiomyopathie, perifere
neuropathie, encefalopathie, fracturen, pulmonaire fibrose.
Protheses
Armprothese:
Haak biedt meer mogelijkheden dan handprothese.
30-36 maanden oud: cable-lock systeem voor armamputaties
(aangestuurd door schouderelevatie).
Krukenberg procedure: splijten onderarm tussen radius en
ulna: mogelijkheid om voor-werpen op te tillen.
Myeoelektrische prothese alleen voor volwassenen.
Complicaties
-
benige
overgroei en pijnlijke “spoor”-vorming: operatief verwijderen.
-
pijnlijke
bursae (in combinatie met benige overgroei, vaak over fibulakop en tibiale
tuberkel
-
beenlengteverschil:
epiphysiodese.
-
contracturen,
neuroom.
-
huidlaesies en
infectie (vooral bij neuropathie)
Fantoompijn:
- GABA-ergic
modulator agens (neurotransmitter)
- TENS, massage,
distractie
Leerachterstand door perceptuele deficiëntie.
Onderbeensamputatie: ontwikkelen soms genu valgum, patella
alta en patella-dislocatie.
Emotionele problematiek.
Amputatie bij kinderen liefst < 2 jaar.