Hoofdstuk 20

 

 

TRAUMATIC INJURIES OF THE SHOULDER AND SHOULDER GIRDLE

 

 

Fracturen van de proximale humerus:

 

Anatomie proximale humerus:

Caput, tuberositas minor, tuberositas major, bicepsgroeve, proximale humerusschacht. Collum anatomicum: scheidt caput van tuberositas major en minor.

Collum chirurgicum: ligt onder beide tuberositas.

Tuberositas minor: anterieur in humerus, mediaal van de bicepsgroeve, insertie subscapularis.

Tuberositas major: posterieur van biceps groeve insertie supraspinatus, infraspinatus en teres minor.

Caput longum biceps wordt in groeve gehouden door ligamentum transversum humeri.

 

Dislocatie van fragmenten bij fractuur conform anatomie: tuberculum major disloceert naar craniaal en posterieur. Tuberculum minor disloceert naar anterieur en mediaal.

De lange bicepspees kan door interpositie in fractuurspleet repositie tegenhouden.

Proximale humerusschacht fracturen kunnen disloceren door trek van de deltoïdeus (meest sterke schouderspier). De pectoralis major trekt de proximale humerusschacht in proximale mediale richting.

 

Bloedvoorziening:

Belangrijkste: a. circumflexa humeri anterior en takken inclusief a. arcuatum.

Minder belangrijk: a. circumflexa humeri posterior en vasculaire rotator cuff.

Bij fracturen in collum anatomicum is alle bloedvoorziening weg en ontstaat kopnecrose (AVN). In collum chirurgicum blijft bloedvoorziening meestal voldoende.

 

Zenuwvoorziening:

Gedisloceerde proximale humerusfractuur; door verschuiven van de humerus naar distaal of anterieur schade aan nervus axillaris.

Nervus axillaris kruist de voorkant van subscapularis en loopt dan terug onder glenoïd naar quadrangulaire ruimte.

 

 

Incidentie en etiologie

 

Proximale humerus 4-5% alle fracturen, veelal osteoporose.

Val op uitgestrekte hand of bij jongeren hoog energetisch.

 

 

Classificatie

 

Neer (1970): four part classicificatie systeem, gemodificeerd naar Codman (1934).

Radiologisch vastgestelde indeling naar anatomie (tuberculum major en minor, caput en schacht) Minimaal gedisloceerd in 80%.

Als een van de fragmenten > 1 cm. disloceert of > 45 gr. anguleert dan is er sprake van dislocatie.

Fractuur dislocatie betekent dat de humeruskop uit het glenoïd disloceert in combinatie met fractuur.

Indeling naar richting dislocatie (anterior of posterior) of aantal fragmenten (2-part, 3, 4-part).

“Head-splitting fracture” = verbrijzeling van de kop. Trachten percentage van het caput te schatten dat kapot is.

 

 

Diagnose

 

Anamnese en onderzoek:

Pijn, zwelling en eventueel crepitus. Ecchymosis vanaf 24-48 uur.

Altijd neurovasculaire status opmaken.

 

Radiologie:

AP, Y-scapulair en axillaire opnamen van de schouder.

Axillaire opname essentieel voor nauwkeurig vaststellen van fragmenten en dislocatie, “Velpeau” opname kan gedaan worden met arm in sling.

Soms aanvullende CT bij onduidelijkheden.

 

 

Behandeling: Conservatief: ® merendeel is minizwelling displaced

 

In mitella/collar ‘n cuff: na 1 week passieve oefeningen.

Regelmatige röntgencontrole.

 

Gesloten reductie: let op neurovasculaire schade of verdere dislocatie tijdens procedure. Patiënt reductie met BV.

 

2-part fractuur:

·       Collum anatomicum: zeldzaam en niet gesloten te doen.

·       Collum chirurgicum: tractie in flexie/adductie, pect, trekt proximale humerus naar mediaal. Bij interpositie (biceps, kapsel, spier) of ernstige comminutie overgaan tot open reductie en interne fixatie (ORIF).

·       Tuberositas major: dislocatie naar superior en posterior en lastig gesloten te doen. Indien in combinatie met anterieure dislocatie van de humerus kan repositie van de schouder al een goede stand van tuberculum major fragment geven. Als de rotator cuff intact is dan de repositie beter dan bij grote scheur in cuff. Na reductie regelmatige controlefoto’s om migratie te controleren.

·       Tuberculum minor: zeldzaam. Gesloten reponeren indien fragment niet al te groot is en niet intra articulair ® lukt meestal, samen met post. dislocatie.

 

3-  en 4-part-fractuur:

·       Meestal instabiel, bij oude osteoporotisch patiënten en dan lastig gesloten te doen. Pogingen kunnen leiden tot grotere comminutie.

·       Bij 3-part-fracturen bepaalt de aanhechting die intact is de richting van rotatie van de  humeruskop.

·       4-part-fracturen leiden vaak tot AVN. Meestal open behandeling.

 

Impressie fracturen:

·       Meestal in combinatie met glenohumerale dislocatie.

·       Gesloten poging indien < 3 weken oud.

·       > 20-30% van de humeruskop kapot dan operatie.

 

 

Behandeling: operatief:

 

2-part-fractuur:

In 85% voldoet gesloten behandeling. Operatie als gesloten repositie niet lukt of fractuur instabiel blijft.

Jonge patiënten ORIF. Oude patiënten hemiarthroplastiek.

Subcapitale humerusfractuur: bij dislocatie fragmenten door pectoralis (proximale humerus naar mediaal) trekt eventueel percutane pinfixatie (cave nervus axillaris, dus van lateraal anterieur en superieur)

Bij interpositie: opereren middels voorste benadering: hechten of cerclage, liever geen K-draden (migratie).

Bij communitieve subkapitale humerusfractuur: intramedullaire fixatie.

Indien tuberculum majorfractuur in combinatie met anterieure dislocatie van de humerus kan repositie van de schouder al een goede stand van tuberculum major fragment geven. Als dislocatie > 5-10 mm dan fixatie (voorkomen impingement). Let op geassocieerde cuff laesie: meteen repareren.

Bij tuberculum minorfractuur: eventueel ORIF via anterieure benadering.

 

3-part-fractuur:

In het algemeen ORIF via anterieure benadering.

 

4-part-fractuur en caputfractuur:

Bij oude patiënten hemiarthroplastiek via deltopectorale benadering eerste keus. Bij jonge patiënten gesloten repositie met percutane fixatie overwegen, vaak slecht resultaat, veel AVN.

 

Geïmpacteerde valgus fracturen:

Minder kans op AVN dan caput geïnclaveerd in valgus. Dan kans van slagen bij kopsparend werken.

 

Impressiefractuur:

Vrijwel altijd gevolg van dislocatie. Gesloten poging indien < 3 weken oud.

20-30% van de humeruskop kapot dan operatie.

20-45% van articulaire oppervlak aangedaan dan eventueel tuberculum major transpositie in defect.

45% caput aangedaan dan hemiarthroplastiek.

 

Rehabilitatie:

Vroeg starten fysiotherapie om stijfheid en littekenvorming te voorkomen.

Begin passieve oefeningen: elevatie en exorotatie met afhangende arm.

Na 3 weken eventueel start actief ondersteunde oefeningen. Weerstand pas als fractuur geconsolideerd.

 

 

Complicaties

 

AVN in 3-14% bij 3-part en in 13-34% bij four-part.

Nonunion vaak bij conservatieve behandeling van gedisloceerde proximale humerusfractuur. Door trekken van spieren ook bij tuberositasfractuur kans op nonunion.

 

 

Claviculafracturen

 

Anatomie:

Clavicula voor ondersteunen arm en aanhechten van spieren (trapezius, deltoïdeus). Ligt juist subcutaan en juist voor plexus brachialis, a. subclavia en a. axillaris.

Sternale epiphysairschijf zorgt voor 80% van de groei en sluit pas op 22-25 jarige leeftijd.

Lateraal plat van vorm en verbonden met scapula via AC-gewricht en coracoacromiale ligamenten (mediale deel van distale 1/3 clavicula).

Midden deel rond van vorm en hier het zwakst, meeste fracturen.

Mediaal deel verbonden sternum via SC-gewricht.

 

Incidentie en etiologie:

Veel voorkomende fracturen door val op uitgestrekte hand en/of klap op schouder. Vaak ook bij hoogenergetische letsels.

 

Classificatie:

Groep I:    in midden 1/3 deel

Groep II:   lateraal 1/3 deel

Groep III:  mediale 1/3 deel

 

Groep I: in midden 1/3 deel

80% en meest voorkomen. (lateraal deel van middelste 1/3).

 

Groep II: laterale 1/3 deel:

12-15%    van alle claviculafracturen.

                 Subclassificatie volgens Neer: relatieve plaats ten opzichte van coraco-claviculaire ligamenten (CCL)

                 Type I:        lateraal van CCL, disloceren niet

                 Type II:       mediaal van CCL, neiging tot disloceren en nonunion, dus ORIF

                 Type III:       intraarticulair

                 Toevoeging van Rockwood:

                 Type IV:      in kinderen met avulsie van CC ligament en periost.

                 Type V:       ernstige comminutie.

 

Groep III: mediale 1/3 deel:

5-6% van alle claviculafracturen. Subclassificatie conform groep II.

 

 

Klinische presentatie

 

Klinisch makkelijk vast te stellen.

Let op huidletsel (openfractuur) en geassocieerde letsels (pneumothorax, neurovasculair)

 

Aanvullende radiologie: AP en 45 gr. cephalic tilt voor midden 1/3.

Laterale fractuur met AP-opname, laterale Y en axillaire opname. Mediale 1/3 soms extra CT.

 

 

Behandeling

 

Midden 1/3 (groep 1):

Conservatief: mitella bij midden 1/3 vrijwel altijd afdoende. Gesloten repositie door retractie schouder. Figure of 8 eerder nadeling dan voordelig (huidletsel, neurovasculair)

Operatief: bij compromittatie huid en neurovasculaire structuren. Plaatosteosynthese met stevige plaat (DCP). Bij verkorting >1,5 cm door HETrauma soms ook geïndiceerd.

 

Laterale 1/3 (groep II)

Type I en III volgens Neer genezen goed met conservatief beleid.

Bij type II fracturen eerder nonunion (30%). ORIF heeft de voorkeur: pinnen of cerclage, schroeven en hechten van clavicula aan coracoïd.

 

Mediale 1/3 (groep III)

Vrijwel altijd conservatief. Opereren gevaarlijk, pees migratie (neurovasculair).

 

 

Complicaties

 

Nonunion in groep I < 1%. Wel meeste nonunions in groep I omdat de meeste fracturen groep I zijn. Soms compressie van neurovasculaire structuren door callus: “bumpectomie” of osteotomie. AC-arthrose behandelen met distale clavicula resectie.

 

 

Scapulafracturen

 

Anatomie:

Glenohumerale gewricht, acromioclaviculaire gewricht, scapulothoracale gewricht.

 

Gecoördineerde functie door samenspel van musculatuur:

·       scapulothoracale beweging: trapezius, serratus anterior, levator scapulae, rhomboïdales.

·       glenohumerale beweging: rotator cuff, deltoïdeus, teres major.

 

Bij scapulaletsel kans op laesie nervus suprascapularis (via scapula notch innervatie van supraspinatus en via spinoglenoïd notch innervatie van infraspinatus) en nervus axillaris.

 

Superior schouder suspesory complex (SSSC) (Goss): bot en weke delen ring gevormd door fossa glenoïdalis, processus coacoïdeus, acromion, distale clavicula, AC-gewricht en bijbehorende ligamenten (CCL).Als dit complex kapot is dan kan een “dropping shoulder” ontstaan.

 

Incidentie/etiologie:

1% van alle fracturen. HET (direct) of indirect letsel:

·       Hoog Energetisch Trauma nodig: dus let op bijkomende letsels (ribfractuur, pneunothorax).

Zeer ernstig letsel is de scapulothoracale dissociatie: bijna altijd bijkomende neurovasculaire schade (arteria subclavia en plexus brachialis).

·       Indirect letsel: door hevige spiercontracties, stressfracturen.

 

50% scapulablad, 25% collum glenoïd, 10% fossa glenoïdalis, 7% processus acromiale en 7% processus coracoïdeus.

 

Classificatie:

(ideberg) naar anatomie: fossa glenoïdalis, collum glenoïdalis, prominentiae (processus coracoïdeus, acromion) en scapulablad.

Aparte classificatie van Goss van glenoïdfractuur (zie figuren blz. 399).

 

Als SSSC is aangedaan dan is er grote kans op dubbel disruptie binnen dit complex. Bij dubbele disruptie is er grote kans op dislocatie van het aangedane deel. Dit geldt vooral in de buurt van het collum van het glenoïd (b.v. collum glenoïd met distale clavicula). Dan is er sprake van “floating shoulder”. Vaak volstaat het om een deel goed te fixeren (bij dit voorbeeld clavicula).

 

Klinische presentatie:

A en O: pijn met immobiliteit (patiënt houdt arm tegen lichaam) ecchymosis en spier-spasmen in rotator cuff door intramusculaire haemorrhagieën.

Radiologie: scapula AP, Y-scapulaire en axillaire opname.

CT geeft belangrijke aanvullende info: vooral in de buurt van fossa glenoïdalis.

 

Behandeling:

Glenoïd:

Glenoïd rand (Type I) conservatief als de schouder stabiel is. Bij neiging luxatie van humeruskop opereren met minimale osteosynthese. (De grens ligt over het algemeen bij 5 - 10 mm dislocatie van de fractuur en bij 20-30% aangedaan articulaire oppervlak)

Fossa articularis fracturen (typen II-V) moeten geopereerd als de dislocatie van fragmenten meer dan 5-10 mm. (step-off) is. Achterste benadering.

Type VI (verbrijzeling van glenoïd): opereren zinloos, vroege mobilisatie bij conservatief beleid.

 

Collum van Glenoïd:

Indien contained: conservatief.

Bij verplaatsing van > 10 mm. of angulatie > 40 gr. opereren (via posterieur met reconstructieplaat)

 

Scapulablad:

Vrijwel altijd contained en conservatief te behandelen.

 

Scapula prominentiae:

Conservatief indien relatief contained. Anders tension band principe toepassen.

 

Complicaties:

Glenohumerale arthritis, scpaulathoracale bursitis door malunion.

 

 

Dislocatie van de schouder en schoudergordel

 

Incidentie:

25% van schouder en schoudergordel letsels dislocatie.

84% van dislocaties anterieure glenohumerale dislocatie, 12% AC, 2,5% sterno-claviculair, 1,5% posterieure glenohumerale dislocaties.

In 90% door trauma.

 

Glenohumerale dislocaties:

 

Etiologie:

Anterieur door arm in hyperabductie en exorotatie.

Posterieur door axiale belasting van arm in abductie en endorotatie. Posterieur vaak door spiercontracties bij convulsies, endorotatie sterker dan exorotatie.

 

Kliniek:

A en O:    arm wordt door patiënt geïmmobiliseerd. Contour van de deltoïdeus is weg.

                 Anterieure dislocatie: endorotatie geblokkeerd.

                 Posterieure dislocatie: exorotatie geblokkeerd.

                 Inferieure dislocatie (luxatio erecta = zeldzaam): blokkade van humerus in 90

                 gr. abductiestand.

Cave neurovasculaire schade.

Radiologie: AP, Y-scapulair, axillair-lateraal.

 

Behandeling:

Acuut/primair: gesloten reductie.

Indien ouder dan 24 uur (=chronisch) open reductie vaak nodig.

Intraarticulair verdoven, sederen en verslappen helpen.

Bij reductie kiezen voor tractie en tegen tractiemethoden. Probeer hevelmethoden te vermijden (kans op neurovasculaire schade).

Na repositie neurologisch onderzoek herhalen.

Anterieure dislocatie: in mitella/collar ‘n cuff.

Posterieure dislocatie: in brace met arm tegen lichaam in neutrale stand.

 

Complicaties:

Glenohumerale dislocaties kunnen resulteren in rotator cuff laesies vooral bij oudere patiënten (40% > 40 jaar en in 80% > 60 jaar)

Let op geassocieerde fracturen van b.v. glenoïd.

Recidiverende luxatie/instabiliteit kan resulteren.

 

 

Acromioclaviculaire dislocaties

 

Etiologie:

AC-gewricht wordt gestabiliseerd door twee ligamenten: AC capsuloligamentaire complex (ACCL) en coracoclaviculaire ligamenten (CCL).

Traumamechanisme: val op de punt van de schouder. Eerst gaan de AC-ligamenten kapot en daarna de coracoclaviculaire (CC).

 

Classificatie:

Naar ernst (I-VI).

Type I:             ACCL letsel zonder dislocatie in gewricht.

Type II:            ACCL en mild letsel CCL, geringe dislocatie AC-gewricht.

Type III-VI:       ACCL en CC, ernstige volledige dislocatie AC. De schouder en arm vallen naar voren doordat de steun van de clavicula ontbreekt.

                 Type III: naar craniaal

                 Type IV: naar dorsaal (in trapezius)

                 Type V:  subcutaan (door trapezius heen)

Type VI: onder coracoïd

 

Klinische presentatie:

Type I alleen drukpijn. Type II ook zwelling.

Type III-IV: ACCL en CC, ernstige volledige dislocatie AC. De schouder en arm vallen naar voren doordat de steun van de clavicula ontbreekt.

Radiologie: AP en axillair-lateraal. Bij twijfel eventueel stressopnamen.

 

Behandeling:

 

Acute letsels:

Type I en II: mitella kortdurend.

Type III: evenzo doch operatie kan overwogen worden.

Type IV-VI: acute operatieve behandeling door operatieve reductie en fixatie van clavicula aan coracoïd.

 

Chronische letsels of langer bestaand:

Type II-VI die pijnlijk blijven: distale clavicula resectie kan overwogen worden met aanvullende transpositie van CC ligamenten.

 

Complicaties:

AC arthrose (type I en II).

Secundaire rotatorcufflaesie (type III).

 

 

Sternoclaviculaire dislocaties

 

Etiologie en klinische presentatie:

SC gewricht wordt gestabiliseerd door gewrichtskapsel en costoclaviculaire en inter-claviculaire gewrichten.

Meestal direct trauma.

Anterieure dislocaties door excessieve compressie, anterieur > posterieur, door clavicula door retroversie van ipsilaterale arm.

Posterieure dislocatie bij excessieve kracht doordat arm naar voren wordt geduwd.

 

Volledig neurovasculair OZ. Let op respiratoire insufficiëntie door druk tegen luchtwegen. Vaak CT nodig voor exacte bepaling.

 

Behandeling:

Anterieure SC dislocatie: gesloten reductie onder sedatie (rugligging op zandzak tussen scapulae en drukken). Vaak echter onstabiel. Operatie feitelijk zinloos.

Posterieure dislocatie: reductie onder volledige sedatie (boven beschreven houding en dan tractie aan geabduceerde en geëxtendeerde arm, eventueel extra kracht door doekenklem percutaan). Posterieure dislocaties blijven meetal wel stabiel na reductie. Mitella of fig. of 8.

 

Complicaties:

Pneumothorax, neurovasculaire schade, trachea of oesophagus ruptuur.

Potentieel SC-arthritis.