Hoofdstuk 22
FRACTUREN EN DISLOCATIES ROND DE ELLEBOOG
Elleboog: hinge
gewricht door radius, ulna en humerus.
·
Mediale of ulnaire collaterale ligament complex bevat 3 bundels.
1.
anterior
(AMCL) achter de rotatieas van elleboog inferior aan mediale epicondyl (is
belangrijk!)
2.
Posterior
(PMCL) van inferieure gedeelte mediale epicondyl naar proximale olecranon.
3. Coopers ligament: transversale band tussen processus
coronoïdeus en olecranon.
Alleen 1 draagt bij
aan elleboogstabiliteit. Als 2 kapot is dan zorgt de radiuskop voor valgus
stabiliteit.
·
Laterale collaterale ligament complex: minder duidelijk van norm. Vier delen.
1.
Radiaal (RCL):
van laterale epicondyl naar lig. annulare.
2.
Lateraal-ulnair
(LUCL): primaire stabilisator van de elleboog. Bij doorsnijden ont-staat
posterolaterale instabiliteit.
3.
Accesory
lateral collateral ligament: van tubercel van m. supinator in annulare lig.
4.
Annular
lateral collateral ligament.
Ligament annulare is
het ligament rond collum radii dat zorgt dat de radius tegen de ulna articuleert.
Morbus anconeus is een dynamische stabilisator.
Radiologie:
Standaard: AP in
extensie supinatie, lateraal met elleboog 90 gr. flexie, ¾ opnamen in extensie
en een axiale projectie (olecranon).
Bij valgusstress
opnamen kan een dislocatie van meer dan 0.5 mm. en MCL scheur betekenen.
Arthrografie: kan
indien vroeg na het letsel genomen kapseldisruptie aantonen. Bi partiele MCL
letsels arthrogram i.c.m. CT.
MRI: bij verdenking
MCL letsels. T1 in coronale opname beeld de AMCL goed af. Bij disruptie signaalverlies.
Bij haemorrhagie of oedeem toename signaal ook op T2 opname.
Elleboog
instabiliteit:
·
Stadium I:
disruptie LUCL, soms RCL en posterolaterale kapsel. A/ knoepend gevoel door
posterolaterale rotatoire instabiliteit. O/ laterale pivot-shift opwekbaar.
·
Stadium II:
als I met subluxatie en disruptie voorste en achterste kapsel en laterale
collaterale ligament. A/ recidiverende subluxatie. O/ laterale pivot-shift en
varus instabiliteit.
·
Stadium IIIa:
disruptie PMCL (valgus instabiel in pronatie)
·
Stadium IIIb:
complete disruptie inclusief AMCL: onstabiel.
Bij posterolaterale
instabiliteit kan restauratie van LUCL stabiliteit herstellen. Mediale elleboog
distorsies bij werpers. Let dan ook op UCL disruptie, neuritis ulnaris,
avulsies, osteochondritis dissecans en valgusextensie overbelasting syndroom.
Acute UCL laesie:
knap en pas later neuritis ulnaris.
Eenvoudige dislocaties
Simple = indien er
geen ossaal letsel is.
Na schouder en
patella de derde qua incidentie.
Meestal 5-25 jaar
oude patiënten maar ook bij ouderen.
Twee
mechanismen: 1. Hyperextensie
2.
Valgus/supinatie
met axiale compressie.
Classificatie:
Bepaald
door de positie van de onderarm. Meestal: posterolaterale en directe
posterieure dislocatie, daarna komen posteromediaal en mediaal. Anterieur
zeldzaam.
Divergente
dislocatie: indien ligament annulare of proximale radio-ulnaire dislocatie.
Behandeling:
Meestal
conservatief/gesloten.
Posterieure
dislocatie: tractie in extensie (processus coronoïdeus sparen). Kortdurend
immobiliseren in 90 gr. (2 weken) snel oefenen.
Eventueel
testen instabiliteit onder narcose na repositie:
AMCL
disruptie: valguslaxiteit met onderarm in pronatie.
Varusinstabiliteit
testen met endorotatie van de schouder.
Laterale
pivot-shift bij posterolaterale rotatoire instabiliteit: supinatie met valgus
en axiale compressie. Eerst ontstaat subluxatie van radius en ulna van humerus,
bij verder flecteren 40°. reponeert het zich (clunck!).
Conservatief:
Even
goed als chirurgisch bij eenvoudige dislocaties met resterende instabiliteit.
Conservatief:
3-6 weken dynamische brace met extensieblok bij instabiliteitspunt, langzaam
uitbreiden ROM. 60% nog klachten na 34 maanden. Te lange immobilisatie leidt
tot flexiecontractuur.
Operatief:
Bij
ernstige instabiliteit in meer dan 60 gr. flexie. Eventueel LUCL repareren
indien posterolaterale instabiliteit persisteert.
Complicaties:
Ante
brachialis laesie (dus altijd even pols voelen).
Compartiment
syndroom.
Complexe dislocaties
Fractuur
dislocaties.
Mechanisme:
Fractuur
dislocaties meestal door ernstig trauma, met vaak instabiliteit.
Behandeling:
Gericht
op snelle mobilisatie: eerst fracturen fixeren en daarna eventuele ligamenten
als anders de mobilisatie wordt beperkt.
Processus
coronoïdeus fractuur
Bij
2 tot 10% van de post dislocaties.
Mechanisme:
Hyperextensie:
recidiverende instabiliteit dreigt door verscheuren anterieure ligament.
Classificatie:
3 typen: type I: “chip
avulsie
type II: <50%
van processus
type III: communitief of meer dan 50% van de
processus.
Subtype
A: geen dislocatie, subtype B: wel dislocatie.
Hoe
ernstiger de laesie hoe vaker PAO’s. Type II slechts 1/5 tevreden over
resultaat, hoe langer immobilisatie hoe groter de restfunctiebeperking.
Behandeling:
Stabiele
I en II fracturen: conservatief. Instabiele II en III ORIF.
Communitieve
type III: externe fixateur met eventuele minimale osteosynthese.
Olecranonfracturen:
Mechanisme:
Meestal
door direct (posterieur) trauma aangedaan of door val op gestrekte hand.
Classificatie:
Er
zijn meerdere classificaties doch de classificatie volgens Mayo lijkt de meest
praktische:
Type I: niet disloceerde of < 3 mm dislocatie
gedisloceerd
Type II: stabiel fractuur patroon ü
Type III: onstabiel fractuur patroon ý
Subtype A: niet
communitief þ
Subtype B:
communitief
Behandeling:
Type
IA en IB: 1 week spalk dan beginnen met oefenen
Type
IIA: operatie volgens het tension band principe of met een trekschroef.
Type
IIB benden 60 jaar: fixeren met 3.5 mm. DCP plaat.
Type
IIB bij ouderen (>60 jaar) en indien het fragment <50% articulerende
oppervlak: excisie van het fragment en reïnsertie triceps.
Type
IIIA: plaat en schroeven t.b.v vroege oefening eventueel i.c.m. externe
fixateur.
Type
IIIB: externe fixateur.
Radiuskopfracturen:
Bij
5-10% van de elleboogsdislocatie.
Mechanisme:
Meestal
door een val op de elleboog met de arm in extensie en abductie (valgus/pronatie
kracht).
Vaak
gecombineerd met weke delen letsel:
1.
gescheurd
mediaal collateraal ligament (instabiel bij valugsstress)
2.
letsel aan de
membrana interossea en het triangulaire fibrocartilagineuze complex (axiale
instabiliteit van de onderarm met subluxatie va het distale radioulnaire
gewricht = Essex-Lopresti dislocatie).
Radiologie:
Let
op fat Pad sign. DE capitellum view is geschikt voor het posterieure deel van
de radiuskop.
Classificatie:
Volgens
Mason met modificatie volgens Hotchkiss (betere kapstok voor behandeling):
Type I: minder dan 2 mm intraarticulaire verplaatsing
Type II: meer dan 2 mm verplaatsing maar geen comminutie (blokkeert soms pronatie)
Type III: ernstige comminutie (met mechanische blokkade voor pro- en supinatie)
en niet te reconstrueren.
Volgens
AO: 3 typen: eenvoudig (21-B2.1), multifragmentair zonder impressie (21-B2.2)
en multifragmentair met depressie (21-B2.3)
Behandeling:
Bi
j minimale dislocatie conservatief behandelen met vroege mobilisatie.
Bij
Mason-Hotchkiss II: behandeling hangt van restfunctie: 20-140° flexie en 70° onderarmrotatie
niet-operatief behandelen.
Bij
restklachten kan resectie van het fractuurdeel tot klachtenvermindering leiden.
De
radiuskop moet echter gespaard worden als een interossale membraanlaesie
aanwezig kan zijn of bij geassocieerde elleboog dislocatie.
Mason
type II fracturen hebben een beter functioneel resultaat na ORIF dan Mason type
III fracturen. Bij Mason type III wordt radiuskopresectie geadviseerd binnen 48
uur, behalve als de mebrana interossea aangedaan is. Bij Essex-Lopresti achtige
letsels kan stabilisatie van het radio-ulnaire gewricht verkregen worden door
een radiuskopprothese.
Na
radiuskopresectie is een complicatie de migratie van de radius naar poximaal
(20-90% van de patiënten).
Mogelijke
behandelingen: radiuskopprothese, ulnaverkorting, reparatie van het
triangulaire fibro-cartilagineuze complex en verschroeven van het distale radio-ulnaire
gewricht.
Distale
humerus fracturen:
I
Anatomische reductie en II vroege mobilisatie, anders slechte resultaten.
AO Classificatie:
Type A: extra-articulaire: A1: epicondylaire avulsiefractuur
A2: supracondylair
A3:
transcondylair
Type
B: deel van articulerende oppervlak aangedaan:
B1:
laterale column
B2:
mediale column
B3:
distale articulaire oppervlak
Type
C: distale humerale articulerende oppervlak aangedaan:
C1:
metaphysaire comminutie
C2: metaphysaire comminutie met minimale articulaire comm.
C3:
bicolumnaire ossale letsels met articulaire comminutie
Mediale epicondyl fracturen:
Conservatief bij minimale dislocatie. (flexie, pronatie 90° polsflexie)
Indien dislocatie van fragment met instabiliteit of
intraarticulaire verplaatsing van het fragment: fixeren.
Supracondylaire humerusfracturen:
Mechanisme:
I extensietype (96%): distale fragmenten naar posterieur. II
flexietype (4%): distale fragmenten anterieur verplaatst.
Type A2 en A3 zijn onstabiel omdat mediale en laterale
cortices aangedaan zijn.
Behandeling:
Metaphysaire fractuur type A2 kunnen gesloten behandeld worden. Wederom geldt: zo kort mogelijk (<3 weken) immobiliseren. Tractie via olecranon-pen kan een oplossing bieden. Chirurgische stabilisatie met plaat en schroeven bij onstabiele A2 en/of als reductie onmogelijk is bij type A2 en bij A3. Benadering via lateraal, mediaal of posterieur (olecranon osteotomie op triceps-split).
Laterale plaat ® posterieur
Mediale
plaat ®
mediaal
Transcondylaire humerusfracturen:
Behandelen op dezelfde manier als supracondylaire fracturen.
Excessieve callusvorming kan leiden tot mechanische
blokkade.
Unicondylaire fracturen:
Fracturen -5% van alle humerusfracturen (dus niet vaak)
unicondylair. Typen B1 (laterale condyl) vaker voorkomend dan B2 (mediale
condyl).
Mechanisme:
Direct door klap van achteren op geflecteerde elleboog of
indirect met de elleboog in ab- of adductie en extensie.
Classificatie:
Volgens Milch.
Type
I: (=AO type B1.1 en B2.1) “absence of
lateraal trochlear ridge on the condylar fragment”.
Type
II: (=AO type B1.2 en B2.2) “presence of
lateral trochlear ridge on the condylar fragment”
Behandeling:
Milch
I:
B1 (lateraal): immobilisatie met de elleboog 90° gebogen, onderarm supinatie en pols in extensie.
B2
(mediaal): elleboog 90° flexie, pronatie, pols in flexie.
Bij dislocatie gesloten
repositie van fragment met precutane fixatie3.
Altijd kort
immobiliseren (<3 weken).
Milch
II:
ORIF
Soms
aanvullend ligament reconstructie bij instabiliteit.
Bij
mediale condylfracturen snel kiezen voor ulnaris transpositie.
“Divergent
single column fracture”:
Komt
alleen bij jonge mensen voor.
1. begint in trochlea groeve.
2. Jonge mensen/adolescenten
3. grote fossa tussen coronoïd en olecranon
4. Intacte weke delen
Percutaan
pinnen.
Capitellum
fracturen:
B3:
Han-steinthal en Kocher-Lorentz fracturen.
Capitellum
fracturen >1% van alle elleboogsfracturen.
Mechanisme:
Axiale
belasting op radius met druk van radiuskop op capitellum. Bij elleboog in
extensie ontstaat een laesie op het inferieure oppervlak van het capitellum.
Met de elleboog in flexie ontstaat dislocatie naar anterieur.
Classificatie:
Type
I Hahn Steinthal: distale fragment naar anterieur verplaatst.
Type
II Kocher-Lorentz: distale fragment (meestal alleen een schil) naar posterieur
Type
I beperkt meestal elleboogsflexie. (I treedt meestal op door flexie)
Type
II beperkt elleboogsextensie (en v.v.)
Behandeling:
Type
I: arthroscopische of open reductie van
fractuurfragment met externe of interne fixatie of excisie van het
fractuurfragment.
Type
II: excisie fragment eerste keus.
Altijd: vroeg starten met bewegen.
Condylaire
fracturen:
AO-Typen
C, 62% van alle distale humerusfracturen.
Mechanisme;
Directe
klap op olecranon met impactie van de ulna in de trochlea groeve met elleboog
geflecteerd tussen 110 en 135°. Visualiseren middels AP en true lateral view.
Classificatie:
Risborough-Radin.
Type
I: geen dislocatie van fragmenten.
Type
II: fractuurfragmenten verplaatst maar
niet geroteerd.
Type
III: verplaatsing en rotatie van fragment
Type
IV: als III met comminutie.
Behandeling:
Vrijwel
altijd indicatie voor ORIF
Benadering
vanuit posterieur middels olecranon osteotomie. C1 extra-articulaire blijven
overige intraarticulair.
Behandelingsprotocol
volgens Helfet en Schmeling:
1.
Anatomische
repositie.
2.
Plaatfixatie
van de condylen, eventueel met botgraft.
3.
Repair
olecranon osteotomie.
4.
Eventueel
ulnaris transpositie indien deze bedreigd is.
5.
Fysiotherapie
beginnen binnen 5 dagen. Bij 6-8 weken spalk in rust.
6.
Indomethacine
ter voorkoming PAO.
Complicaties van elleboogstrauma
Nonunion/malunion:
Na
ORIF 2-11%.
Door
inadequate interne fixatie en/of te agressieve oefentherapie.
Behandelen
met correctieosteotomie, grafting of rigide fixatie. Elleboogsfunctie blijft
vaak beperkt.
Infectie/weke
delen:
Agressief
behandelen met antibiotica en irrigatie van het gewricht. Loszittend
fixatie-materiaal verwijderen, maar goede fixatie ongemoeid laten.
Ulnarisneuropathie:
Oorzaak
(malunion of valgusdeformiteit) behandelen. Na transpositie treedt vaak
verbetering op.
Arthrofibrosis/heterotope
ossificatie:
Door
te lange immobilisatie.
Open
of scopische excisie van adhaesies kan symptoomverminderend werken.
PAO-vorming
4% bij distale humerusfractuur. Er is een correlatie met anterieure benadering,
uitstel van operatie en PAO-vorming. Ook vaker PAO bij hersenschade en
verbrandingen.
Preventie
met indomethacine en lage doses bestraling. Chirurgische behandeling van PAO op
zijn vroegst na 6 maanden.