Hoofdstuk 24

 

 

FRACTURES AND DISLOCATIONS OF THE HAND AND WIRST

 

 

Fracturen hand tot 10% van alle fracturen.

 

Phalangeal Bones

 

Fractures of the distal phalanx:

-      Vaak gecompliceerd door weke delenletsel of letsel nagelbed en dergelijke.

-      Meestal comminutief, maar niet gedisloceerd.

-      Nagelbed: goed debridement, nauwkeurig herstel. Subunguaal haematoom draineren.

-      Gedisloceerde transvers fracturen: repositie onder lokaal block en spalken. Eventueel K-draad of naadfixatie. Indien gap van meer dan 2 mm dan open reductie (interpositie nagelmatrix).

 

Dislocation of the distal interphalangeal joint:

-      Zeer zeldzaam. Meestal dorsaal en soms open. Tractie, flexie in pols, MCP. Dorsale spalk voor 3 weken.

 

Fractures of the middle and proximal phalanges:

-      Vaak dislocatie door tractie van musculatuur.

 

Intercondylar fractures:

-      Vaak gedisloceerd.

-      Gesloten repositie en K-draad fixatie proberen.

-      Anders: open en fixatie met klein instrumentarium of transverse fixatie met K-draad (ORIF). Indien stabiel: vroeg oefenen (eventueel met dynamische tractie).

 

Middle phalanx fractures:

-      Dislocatie afhankelijke van de plaats van de fractuur ten opzichte van de flexor digitorum superficialis. Extra-articulaire fracturen aan de basis meestal: dorsaal. Ter hoogte van de nek, dus distaal van de insertie: volair. In de regio hiertussen zowel dorsaal als volaire dislocatie mogelijk.

-      Bij stabiele anatomische toestand conservatief en zo mogelijk voegfunctioneel. Bij malrotatie, dislocatie of angulatie van meer dan 20° gesloten repositie. Fixatie met de hand in “intrinsic plus”.

-      Instabiele fracturen: longitudinale K-penfixatie (vermijden van PIP!). Vier weken spalk, maar wel oefenen PIP.

 

Proximal phalanx fractures:

-      Proximale 1/3e deel angulatie naar volair. Repositie door tractie aan de middenfalanx met MCP in 90° flexie.

-      Spiraal- en dwarse fracturen vaak instabiel en rotatie afwijkingen. Makkelijke maar instabiele reductie.

-      Fracturen aan de basis bij osteopeen metafysair bot. Vaak dorsale comminutie. Deformiteit met de apex naar volair. Repositie zoals boven beschreven.

-      Instabiele dwarse en “kort oblique” fracturen kunnen intern worden gefixeerd met een K-draad die het PIP vrijlaat zodat dit snel kan worden geoefend. Meegipsen van de aanliggende vingers zorgt voor een goede rotatie. 3 Weken in situ laten.

-      Schuine (45°) proximale fracturen kunnen gesplint worden aan de aangrenzende vingers, eventueel open reductie met K-draden of schroeven.

 

Proximal interphalangeal dislocations and fracture dislocations:

-      Komen vaak voor. Dorsale luxatie door hyperextensie. Reponeren en immobilisatie in 30°. Na 1 week buddy tape voor 6 weken. Collaterale stresstest en active motion na de repositie.

-      Intra-articulaire fracturen van de basis van de middenfalanx (volaire plaatfracturen) zijn ip stabiel indien minder dan 1/3e van het gewricht (op de true lateral) meedoet. Meer dan 1/3e dan ook de collaterale bandjes die meedoen met als gevolg van verplaatsing naar dorsaal. Gesloten reductie en 4-6 weken gips met PIP in 60-80° extension block splinting met wel actieve bewegingsmogelijkheid in het PIP. Anders bij blijvende incongruentie van de gewrichtsspleet open reductie, excisie van het collaterale ligament, debridement van de communitieve fragmenten van de volaire plaat en advancement van de volaire plaat.

-      Volaire dislocatie zeldzaam. Meestal conservatief te behandelen, maar soms interpositie van central slip of proximale condyl door de extensoren met geassocieerde ruptuur van de volaire plaat en het collaterale ligament. Open reductie en K-draadfixatie va het PIP in extensie gedurende 2 weken. Dan dynamische spalk gedurende 2-4 weken. Dikwijls flinke resterende bewegingsbeperking.

 

 

Metacarpal bones

 

Fractures of the metacarpal:

-      36% van handfracturen. Biomechanisch gezien zijn de wijs- en middelvinger de fixed unit van de hand, dig IV, V en I zijn de mobile unit van de hand. Fracturen, angulatie en rotatie in de fixed unit heeft meer consequenties voor de functie dan eenzelfde afwijking in de mobile unit. CMC van II en III zijn ook steviger, terwijl IV, V en I meer flexie/extensie en supinatie toelaten. Flexie naar dorsaal door de intrinsieke musculatuur.

 

Intra-articular metacarpal fractures:

-      Intra-articular metacarpal fracturen zijn zeldzaam. Vaak gemist. Brewerton view. Fixatie van grote fragmenten overwegen. Bij transverse fracturen cave avasculaire necrose. Meestal ernstig begeleidend weke delenletsel. Salvage MCP arthroplastiek.

-      Fracturen basis metacarpalia meestal duim en pink. Probleem: subluxatie in het CMC (Bennet en Rolando) (comminutie).

-      Fracturen van MCV lijken dikwijls op de Bennet fractuur/luxatie. Reductie, percutane fixatie. X-controle in 30° pronatie. Lange termijn complicatie: arthrose.

 

Extra-articular metacarpal fractures:

-      Meestal instabiel door dorsale comminutie. Fysiologische angulatie is 10-15°. Clenchedl fist-cave infectie door wond door tand/ arthritis- debridement-spoelen-antibiotica.

-      30-40° dorsale angulatie van de metacarpal neck is acceptabel. In de fixed-unit maar 10-15°. Jahss reduction manoeuvre. 90° in MCP en PIP, tegendruk op het dorsum va het proximale fragment. Reductie is gemakkelijk te bereiken maar moeilijk te behouden. Indien operatieve behandeling dan repositie en K-draadfixatie met de draad evenwijdig aan dorsale cortex. Kan na drie weken uit (om zo arthrofibrose in MCP en septische arthritis te voorkomen). Dan buddytape. Andere indicaties: dislocatie en malrotatie.

-      Fractuur schacht: dig II en III minder dan 10°, andere vingers 20° is acceptabel. Hoe dichter de fractuur bij het midden, des te groter is de kans op het ontwikkelen va een kauwdeformiteit. Schuine fracturen zijn in principe instabiel en verkorten. Repositie en eventueel fixatie. Bij twee aan elkaar grenzende fracturen fixatie met een longitudinale en een distale transmetacarpale pin. Soms daardoor delayed union door overdistractie. Ook plaat- en schroefosteosynthese.

Metacarpophalangeal joint dislocations

 

Relatief zeldzaam, met name dig II-V. Hyperextensie met ruptuur van de volairplaat. In hyperextensie zijn de kapselbanden lax en wordt het gewricht met name gestabiliseerd door de volaire plaat. Repositie onder lokaal. Bij intrekking van de huid ter hoogte van de palmaire zijde is er aanwijzing voor interpositie van de volaire plaat, dan open reductie. MCP-I dislocatie komt vaker voor; dislocatie naar volair, palmair of lateraal. Mogelijke complicaties door volaire plaat, flexor pollices longus of de sesamoïdea. Soms ligamentaire instabiliteit.

 

 

Carpometacarpal joint dislocations:

 

Naar dorsaal of volair. Meestal dorsaal, IV en V. Vaak gemist. Laterale opname met de onderarm 30° geproneerd ten opzichte van de routine laterale opname. Makkelijke reductie van I-VI, vaak wel fixatie met K-draad nodig. Chronische dislocatie gaat gepaard met pijn en krachtsverlies (greep-). Dislocaties van CMC-I zijn zeldzaam. Meestal dorsoradiair. Makkelijke repositie, welk vaak K-draadfixatie. Chronische dislocaties: pijn, arthrose, krachtsverlies (pincet).

 

 

Carpal bones

 

Scaphoïd fractures (op pag. 436 voor indeling schema vascularisatie)

 

Kans op avasculaire necrose. Interindividuele verschillen in vascularisatie met gevolgen voor de kans op necrose. Na val op de uitgestrekte hand en pijn ter hoogte van de anatomische snuifdoos een fractuur totdat het tegendeel is bewezen. Onderzoek: 98% van de fracturen is met standaardfoto’s en aanvullende series aan te tonen. De overige 2% komt radiologisch aan het licht in de weken na het ongeval. Eventueel aanvullende botscan (niet eerder dan 48 uur na het ongeval), CT, Tomografie, MRI. Indeling volgens Weber en Cooney op basis van de initiële dislocatie; Niet-gedisloceerd en minder dan 1 mm gap hebben nog een peri-ostale verbinding en moeten als stabiel worden beschouwd. Goed resultaat in navicularegips na 9-10 weken in deze groep. Meer dan 1 mm step off: instabiel. Prognose hiervan hangt af van locatie en stabiel vs instabiel. 50% hiervan non-union. Fracturen van proximale en midden 1/3 geven grote kans op avasculaire necrose. Distale 1/3 geneest meestal zonder problemen. High-risk fracturen behandelen met 12 weken immobilisatie.

ORIF; dislocatie meer dan 1 mm, transscapulair, peri-ulnaire luxaties, promal pole fractuur minder dan 25%, polytrauma. K-draad (?) of schroef.

Non-union (röntgenologisch): indien geen tekenen van vorderende consolidatie te zien zijn op 3 foto’s (met tussenpauze van 1 maand) 6 maanden na het trauma. Non-union corrigeren (bv met graft, gevasculariseerd of niet) voordat secundaire arthrose optreedt. Salvage procedures: resectie, proximal row carpectomy, arthrodese.

 

 

Orther carpal fractures

 

Ligamentaire avulsies zoals bij het triqetrum. Dorsum van de pols, op de 30° geproneerde opname. Arbeidsongeschikt voor 4 tot 6 weken.

Fractuur hamulus van os hamatum vaak als gevolg van sportletsels. Ook vaak niet te zien op de gewone foto. CT-scan, 4 tot 6 weken gips. Bij non-union eventueel excisie.

Andere (uitgebreidere) letsels vaak als gevolg van hoogenergetisch letsel. Latere arthrose door chondraalletsel. Fractuur trapezium in dit kader vaak samen met dorsale dislocatie van MC-I fractuur, trapezoïd zeer zeldzaam in combinatie met fixed-unit disruption CMC dig II en III. Meestal ligamentair. Fractuur corpus hamatum in combinatie met CMC-luxatie IV en V. Fractuur pisiforme zeer zeldzaam. Fractuur lunatum als gevolg van Kienbock. Fractuur capitatum samen met fractuur middels 1/3e deel scaphoïd.

 

 

Radiocarpal dislocation

 

Zeer zeldzaam. Type I in combinatie met distale fractuur radius, intra-articulair dorsaal of volair. Dislocatie meest naar dorsaal en ruptuur van de palmaire radiocarpale ligamenten. Gesloten repositie vaak mogelijk. Type II samen met fracturen of luxaties van de carpus. Hiervoor open reductie en ligamentaire reconstructie. Type I heeft een veel betere prognose.

 

 

Fractures of the distal radius

 

Classification:

Veel classificaties. Frykman’se wordt besproken (tabel 24-1, pag 438) met als prognostische factoren intra/extra-articulair en stabiel/instabiel.

 

Radiologie:

Radial tilt ongeveer 11° en radial shift correleren direct met de eventuele verkorting van de radius.

 

Behandeling:

Immobilisatie, eventueel repositie. Geen harde criteria voor wel/niet reponeren in de literatuur. Intra-articulaire fracturen die meer dan 2 mm gedisloceerd zijn geven 100% arthrose op termijn, zonder dislocatie 11%. Dorsaal verplaatste intra-articulair. Fracturen kunnen zorgen voor een secundaire instabiliteit van de carpus. Bij comminutie is distractie nodig (externe fixatie-afsteunplaat). Fernandez: bij volair verplaatste fracturen geeft tenminste 25° angulatie en 6 mm verkorting 50% verlies van dorsiflexie en krachtsverlies. Bij volair verplaatste intra-articulaire fractuur is er meest een begeleidende avulsie van de volaire carpale ligamenten. Zowel het radiocarpale als het radio-ulnaire gewricht kan berokken zijn, net als bij de intra-articulaire fractuur met dislocatie naar dorsaal.

 

Complicaties:

Malunion, radio-ulnaire problemen, ruptuur extensor pollices longus, dystrofie, neuropathie, contractuurvorming.

 

 

Ulnar styloïd fractures

 

Radiair deviatie en dorsiflexie. In combinatie met radiusfractuur of geïsoleerd. Soms accessoir carpaal bot-lunula, os styloïdes of os triangulaire.

 

Behandeling:

TFCC hecht eraan. Flinke dislocatie kan dus voor radiocarpale instabiliteit zorgen. Dan dus eventueel OR en fixatie. Soms bij pijnlijke non-union excisie en refixatie van het TFCC met goed resultaat.

 

 

Radio ulnar joint dislocation

 

Stabiliteit door ossaal, ligamenten, pronator quadratus, TFCC. Bij luxatie pijnlijke “click”. Eventueel aanvullende foto’s in pro- of supinatie of CT. Soms instabiel dan fixatie.