Hoofdstuk 27
FEMURSCHACHTFRACTUUR
Oorzaken:
·
Trauma:
hoogenergetisch: vooral bij jonge individuen. Cave: hemorrhagische shock.
Andere levens bedreigende letsels.
·
Microtraumata
·
Metabole
stoornissen
·
Neoplasie
Röntgenonderzoek:
X-gehele femur AP/lateraal en X-bekken (acetabulum en bekkenfractuur)
Waar is de plaats van
een orthopaedisch chirurg bij multitrauma patiënt met een femurfractuur?
Uit verschillende
studies is gebleken dat de snelle behandeling van femurfractuur bij een
multitrauma patiënt grote fysiologische voordelen oplevert in de zin van:
·
vergemakkelijkt
de verpleging, snelle mobilisatie, waardoor minder opname gerelateerde
complicaties.
·
minder
behoefte voor ventilatoire ondersteuning.
·
minder
pulmonale complicaties (vet embolie, ARDS)
·
verlaagt de
incidentie van multi organ faillure
·
korte
hospitalisatie en medische zorg
2 belangrijke punten
ten aanzien van behandeling van de femur schachtfracturen:
1.
aanwezigheid
van de comminutie (fig. 27.1 blz 484)
2.
plaats van de
fractuur
Behandeling
Conservatief:
In de vorm van
tractie en/of gips lijkt inadequaat.
Nadeel:
Lange opname,
verkorting van de extremiteit, Angulatie.
Vroeger:
Zeer comminutieve
fracturen.
Heden:
Enige plaats voor
conservatieve behandeling bij gecompliceerde fracturen waarvoor vaak
debridement nodig is alvorens de definitieve fixatie plaatsvindt.
Operatief:
·
IM-fixatie:
antegrade nailing/retrograde nailing
·
Plaatfixatie
·
Fixateur
externe
Intramedullaire
fixatie:
·
Niet buigzaam
·
Grote load
shariong
·
Te gebruiken
vanaf trochanter major tot supracondylaire femurregio.
Antegrade nailing:
Nailinsertie: in tractietafel dan goede manuele repositie.
Inbreng plaats: fossa piriformis. Deze correspondeert
met de longitudinale as van het mergkanaal.
Vergrendeling van de pen
zowel distaal als proximaal = statische vergrendeling.
Dit geeft rotationele als
longitudinale stabiliteit.
Statische
vergrendeling voor diafysaire fracturen van de femur, in 98% goed
resultaat/union.
Singel
schroef distaal: biomechanisch stabiel en sufficiënt, toch 2 schroeven
aanbevolen ter stabilisatie in sagittale vlak.
Complicatie
antegrade nailing:
·
iatrogene
comminutie
·
zelden
collumfractuur
·
IM-sepsis
(vaak geassocieerd met de open techniek)
·
malunion: te
voor komen door statische vergrendeling en goede repositie
·
non-union:
door implantaat falen
·
heterotopische
ossificatie: dit geeft geen functionele bezwaren.
Dynamische
vergrendeling: vergrendeling alleen aan de linker kant van de fractuur.
Hierdoor is lood transfer door de fractuur niet geëlimineerd.
Retrograde
nailing:
Voordeel:
· fracturen onder de prothese
· gecombineerde fractuur van de collum en schacht
· schachtfractuur met open epifysaire schijf.
Nadeel:
· kan niet worden gebruikt in comminutieve fracturen
· kan niet statisch worden vergrendeld.
Samengevat: retrograde nailing bij femurschachtfracturen
in combinatie met een collumfractuur of tibiaschachtfractuur (?)
Plaatfixatie:
Indicatie:
Beperkt.
Patiënten met verminderde pulmonale functie bij wie een contra-indicatie voor
geboorde IM-fixatie bestaat.
(Relatieve indicatie):
Ipsilaterale collumfractuur, peri prosthetisch.
Nadeel:
· uitgebreide exposure
· fractuur fragment devitalisatie
· toename infectiekans
· non-union
· niet belasting stabiel
· soms bottransplantaat nodig aan de mediale zijde van de
fractuur
Fixateur
externe:
Indicatie:
Tijdelijke
fixatie bij uitgebreid gecontamineerde en geïnfecteerde fractuur.
Hierna:
IM-fixatie. Cave: sepsis.
Complicatie:
Infectie
pennen.
Malunion,
non-union, verminderde kniefunctie.
Gecompliceerde fracturen van de femur (zie algoritme blz.
488)
Zelden
in bovenbeen. Indien aanwezig dan als gevolg van hoogenergetisch trauma, vaak
gecombineerd met multipele letsels.
Dilemma:
Geen
snelle operatie bij gecontamineerde fracturen.
Snelle
mobilisatie van een polytrauma patiënt.
Behandeling:
Weinig
weke delenletsel: behandel als gewone femurfractuur.
Graad
I, II, IIIa: eerst debrideren, dan
meteen nailing (indien verder geen bv. pulmonale letsel)
Graad
IIIb: tractie of fixateur externe
en debridement totdat de weke delen goed hersteld is dan IM-fxiatie.
Graad
IIIc: onmiddellijk plaatfixatie
of fixateur externe en dan in 2e instantie IM-fixatie.
Femurfractuur geassocieerd met andere (ipsilaterale) letsel
Vaat
letsel. Stomp (2%) / penetratie letsel (>2% van de femurfracturen)
Penetratieletsel
in de buurt van arteria femoralis:
Angiografie
bij aanwezigheid van de pulsaties. Onmiddellijke exploratie bij afwezigheid van
pulsaties.
Stompletsel
wordt vooral geassocieerd met distale femurschachtfractuur waar arteria
femoralis immobiel is. (adductor hiatus).
Let
op klinische verschijnselen. Koud en cyanotisch been, verlaagde capillar
refeal, opgeheven pulsaties distaal.
Indien
vers fractuur, ischemische tijd < 6 uur: eerst IM-fixatie en dan het
vaatletsel.
Indien
langer dan 6 uur ischemische tijd: vaatreconstructie, dan fractuur behandeling.
Femurfractuur
in combinatie met collumfractuur:
Behandeling
van de collumfractuur heeft de prioriteit.
2
methoden van fixatie:
Singel device:
2e generatie reconstructie-nail of lange hoekplaat met schroeven.
Dual device:
schroeffixatie voor collum en plaat- en schroeffixatie voor femur.
Femurfractuur
in combinatie met tibiafractuur (Floating knee):
Vaak
als gevolg van hoogenergetisch trauma. Gaat gepaard met bedreigde huid.
Behandeling:
single incisie voor retrograde/antegrade nailfixatie voor respectievelijk femur
en tibia.
Femurfractuur
bij schotwonden:
Behandeling
afhankelijk van de weke delen status.
In
de regel initieel IM-fixatie goede resultaat
Bij
zeer ernstige weke delen letsel: debridement, dan in 2e instantie
definitieve behandeling. (IM-fixatie)
Segmentele
fracturen:
Bij
voorkeur IM-fixatie.
Technisch
moeilijk. Grote diameter implantaat nodig om het risico voor materiaal falen te
voorkomen.
Distale femurfractuur
Distale
femurfractuur: overgang diafyse/metafyse.
Supracondylaire
fracturen vaak intra-articulair.
Mechanisme:
axiale belasting in geflecteerde knie.
Anatomie
van de condylen: dunne cortex. In sagittale vlak ligt lateraal en in frontale
vlak ligt in posterieure positie. Femurschacht komt uit in de anterieure deel
van de condyl.
Deformiteiten
bij de condylfracturen door: aanhechting van aantal spieren.
Gastrocnemius
veroorzaakt posterieure angulatie, quadriceps/hamstring musculatuur veroorzaken
een verkorting van de extremiteit.
Deze
mechanismen resulteren in rotatie van de fractuur.
2
Type patiënten met distale femurfractuur:
· Jonge patiënten met een hoogenergetisch trauma met
gecombineerde letsels.
· Oudere patiënten met osteoporotisch bot en medische
voorgeschiedenis.
Morfologie van de fracturen afhankelijk van
· Inwerkende krachten
· Botkwaliteit
· Richting van de inwerkende kracht
Distale
fractuur: let op neurovasculaire structuren aan de mediaal.
8
cm. boven tuberculum adductorum veilige plaats voor insertie van percutane
implantaten.
Positie
van de knie bij reconstructie: parallel aan de grond met een angulatie van 9° in valgusstand.
Röntgenopname:
AP/lateraal.
CT-scan:
wanneer percutane techniek wordt toegepast.
Angiografie:
indien klinische aanwijzingen.
Classificatie:
Volgens Muller (fig. 28.1) AO
Type A: extra-articulair
Type B: unicondylair
(intra-articulair)
Type C: bicondylair
(intra-articulair)
Doel
van de behandeling:
Goede
functie zonder pijn .
Te
bereiken door: herstel alignement, rotatie, lengte en goed herstel van de intra-articulaire fragmenten
gevolgd door snelle mobilisatie van de knie.
Acute
operatie: slecht resultaat, door slechte fixatie en infectie. Behalve bij
gecompliceerde fracturen.
Tenzij
goed debridement dan geen bezwaar tegen acute operatie.
Operatie
bij: onstabiele, gedisloceerde distale femurfracturen.
Absolute
indicatie voor operatie:
· open fracturen
· ipsilaterale fractuur
· poly-traumata
· vasculaire letsel
· niet reponibele fracturen
Contra-indicatie
voor interne fixatie:
Uitgebreide
communiteit
Osteopenie
contaminatie
van de fractuur
Volgorde
bij operatie:
Repositie/fixatie:
eerst repositie van de condylen door middel van K-draden, gevolgd door
schroeven en dan plaat/pen fixatie. Eerst distale fixatie en dan proximaal.
Keuze tussen intramedulaire versus plaat- en schroeffixatie.
Intramedulair:
minder buigzaam dan de plaat, denk aan femuras.
Plaatfixatie:
standaard voor operatieve behandeling.
Nadeel
van plaatfixatie:
· uitgebreide laterale dissectie
· hoge bloedverlies
· ossale devitalisatie
· hoog risico voor infectie
Voor
intra-articulaire exposure een mediale incisie of tenotomie/osteotomie
noodzakelijk.
Plaatfixatie
is belastingstabiel met een hoog buigmoment. Let op: mediale cortex moet
sufficiënt zijn, anders geen compressiekracht. Dit resulteert in het falen van
het implantaat.
Plaatsen
van mediale botgraft of een plaat aan de mediale zijde kan dit voorkomen.
Hoekplaat:
Rigide,
door de hoek van 95° rotatie en buigstress te voorkomen.
DCS:
Wordt
niet aanbevolen door verlies van metafysaire bot door het boren, minder
geschikt voor multifragmentaire fracturen, revisie moeilijk indien
noodzakelijk.
Condylplaat:
Wordt
gebruikt bij comminutieve fracturen in verschillende vlakken of indien minder
bot in de condyl.
Nadeel:
minder mechanische stabiliteit, neigt tot variseren.
Intramedulaire fixatie:
Kleine
exposure.
Flexibele intramedulaire pen:
Bij
niet intra-articulaire fracturen, bij minder botkwaliteit en bij oudere
patiënten.
Fixateur externe:
Bij
grote weke delen letsel, vasculaire letsel en bij patiënten met levensbedreigende letsels.
NB:
de stalen pen in de condyl als het kan, anders in de tibia.
Complicaties
postoperatief:
Malunion,
non-union, verlies kniefunctie, posttraumatische arthritis.
Bij
uit de hand gelopen complicaties de volgende mogelijkheden:
- arthrodese
- arthroplastiek
- amputatie
Patellafractuur
insertieplaats
van: rectum femoris, vastus lateralis/medialis
Laterale
mediale retinaculum wordt gevormd door de vezels van de aponeurose van de
vastus lateralis/medialis.
Vascularisatie:
dorsale tak van a. geniculum die uitmondt in de centrale en distale deel.
Avasculaire
necrose in het proximale deel.
Patellafracturen:
(1) dwarse, (2) polair, (3) comminutief, (4) verticaal.
Behandeling:
Conservatief
bij: niet gedisloceerde fracturen en bij intacte extensorfunctie, anders
operatief.
Doel behandeling:
Integriteit
extensorpeesapparaat, herstel retropatellair gewrichtsoppervlak.
Operatie:
Cerclage
en K-draad
Intraossale
hechtingen
Compressie
schroeven
Combinatie
Fixatietechnieken:
Boxconstructie:
cerclage en K-draad
Pyrford-techniek:
cerclage
Modified
tension band: K-draad en cerclage, figuur van 8
Partiele patellectomie:
Bij
forse comminutie met > 1 grote fragment.
Totale patellectomie:
Bij
multipele fracturen waarbij het verkrijgen van een anatomische stand niet
mogelijk is.
Postoperatief:
CMP, passief continue motion (MCP)
Complicatie:
Patellofemorale
klachten: arthrose
Minder
beweeglijkheid
Non-union
(gemiste fracturen)
infectie
(zelden)