Hoofdstuk 29
TIBIAL FRACTURES
Anatomie
U goeddeels bekend. Anteromediale tibia heeft enkel wat subcutane bedekking. Er
zijn 4 compartiment in het onderbeen. De a. nutrucia
is een tak van de a. tibiale posterior
en loopt dorsolateraal door het mergkanaal. De
intramedullaire bloedvoorziening is het belangrijkst maar na een fractuur wordt
de periostale circulatie belangrijker. Dit vooral in distale 1/3 deel tibia.
Incidentie en mechanisme
2/1000 per jaar,
vooral door motorongevallen en ski-trauma’s. Rotatieletsels leiden vaak tot
spiraalvormige fractuur.
Directe letsels
leiden tot transversaal lopende fracturen, vaak met comminutie.
Onderzoek
Onderscheid maken
tussen gesloten en open fracturen. Wonden in de buurt van (of bij hoog
energetisch op afstand van) het letsel hebben meestal comminucatie
met de fractuur. Neurovasculair testen.
Gecompliceerde
fracturen hebben in ca. 90% van de gevallen een compartimentsyndroom. Meest
sensitieve test hiervoor is passief strekken van het betrokken compartiment. Een
intracompartimentele druk die minder dan 30 mm Hg
verschilt van de diastolische bloeddruk is ook min of meer bewijzend. Zie ook
tabel 29.1.
Beeldvorming
Tibia AP en lateraal.
Ook aparte knie- en enkelopnames maken.
Botscan en MRI
eventueel bij verdenking op stressfractuur.
Arteriogram bij hoog energetische letsels en niet palpabele arteriën.
Classificatie
Weke delen:
Periostschade, spierbedekking en vasculaire status van de fractuur zijn
meer bepalend dan het onderscheid tussen open of gesloten.
Indien gesloten: weke
delen classificatie volgens Tscherne. Tabel 29.2
Low: 0, 1 high
energetisch 2, 3.
Indien open:
classificatie volgens Gustilo. Tabel 29.3
I: < 1 cm.
II: 1-10 cm.
IIIa: > 10 cm.
Bot:
Tibia
indelen in derden.
Fractuurpatroon
transversaal, oblique, spiraal, segmentaal, comminutief.
Behandeling
Gecompliceerde
fracturen:
Voorkomen
van infectie is stap 1.
Meteen
cephalosporinen geven (tot 72 uur na wondsluiting) en
nettoyage binnen 6 uur met uitgebreid spoelen. Steeds vaker wordt de fixateur
externe vervangen door ongeboorde pennen. Met ongeboorde pennen is er minder
kans op malunion dan bij fixateur externe. De tijdsduur tot consolidatie en de
kans op infectie is echter hetzelfde.
Richtlijnen:
Gustilo I-IIIA en soms ook B is geschikt voor ongeboorde
pen.
Bij
Gustilo IIIB en C: externe fixateur. Een mogelijkheid
is ook fixateur die na 2 weken vervangen wordt door een pen.
Gustilo
I wond is vaak primair te sluiten. Indien erger altijd second lookoperatie
binnen 72 uur.
Spierflappen
voor bedekking: proximaal gastrocnemius, middendeel soleus
en distaal vrije lap.
Laag
energetische letsels genezen vrijwel altijd goed bij adequate primaire
behandeling.
Hoog
energetische letsels en letsels met veel botverlies vereisen vaak aanvullende
botgraft of exchange nailing (ongeboord naar
geboord). Grafting 2 weken na secundaire wondsluiting of 6 weken na een vrije
spierlap.
Exchange
nailing overwegen als botverlies meer dan 50% over minder dan 1 cm. Indien meer
autogene botgraft.
Infectie
percentages voor open fracturen: Gr I 0-2%, Gr. II 2-7%, Gr III 10-25% (Gr IIIA
7%, Gr IIIB 10-50%, Gr IIIC 25-70%)
Amputatie
percentages: voor Gr IIIC 70% amputatie. Indicatief zijn: ischaemie meer dan 6
uur, infrapopliteale vasculaire schade en neurotmesis van de nervus tibiale posterior. Dan overwegen
primaire amputatie.
Compartiment
syndromen:
Gecompliceerde
fracturen hebben in ca. 90% van de gevallen een compartimentsyndroom. Meest
sensitieve test hiervoor is passief strekken van het betrokken compartiment.
Een intracompartimentele druk die minder dan 30 mm Hg
verschilt van de diastolische bloeddruk is ook min of meer bewijzend. Zie ook
tabel 29.1.
Zo
spoedig mogelijk 4 loge fasciotomie. Let op het verloop van de nervus peroneus
superficialis. Huidincisie altijd ruim omdat de huid ook compromitterend kan
werken. Debridement als bij type IIIA letsels.
Bij
delay ontstaat Volkmannse contractuur.
Gesloten
fracturen:
Kunnen
bijna altijd conservatief behandeld worden.
Operatie
overwegen bij: ipsilateraal enkel, knie of femurletsel,
contralateraal letsel aan het been, en multitraumatisee,
Floating knee (femur en tibiafractuur) en segmentale fractuur (2 etages in de
tibia).
Andere
indicaties voor opereren bij gesloten fracturen.
Niet acceptabele deformiteit: > 1,5 cm. verkorting, hoge comminutiegraad,
translatie van meer dan 50%, obliquiteit, indien erg
proximaal of distaal en bij intacte fibula. 5° varus of valgus, 5-10° anterieur of posterieur angulatie.
Als
conservatieve behandeling:
Belasten
binnen 6 weken bevordert consolidatie. Na bovenbeengips eventueel functionele
brace. Als de fractuur meer dan 1.5 cm verkort is dan opereren. Bij geďsoleerde
tibia-fracturen snellere consolidatie, maar meer
malunion. Dus ook sneller opereren als fibula intact is.
Gipsbehandeling
leidt in 20% tot stijve gewrichten.
Intramedullaire
pen is nr. 1 operatieve keus bij diafysaire tibiafractuur.
Reamed
versus unreamed: nog steeds een discussie. De meeste
auteurs gebruiken ongeboorde pen bij weke delen schade en geboorde bij indirect
letseltype en weinig weke delen schade.
Ongeboorde
pennen hebben vaker hardware failure, dit is weer
minder het geval als titanium wordt gebruikt.
Let
op distractie ter hoogte van de fractuur bij statische vergrendeling.
Bij
proximale fracturen op malalignement letten: eventueel Pohler
screws gebruiken.
Complicaties
Delayed union (dus geen vast
tijdstip): als de fractuur niet
binnen de daarvoor staande tijd geneest (9 mnd voor gesloten en 1 jaar voor
open).
Nonunion: als de fractuur niet geneest en radiologisch sclerotische afgeronde randen (oligotrofisch)
resorptie (atrofisch) of expansieve callus met een
duidelijke fractuurlijn (hypertrofisch of synoviaal).
Ook bestaat er zoiets als geďnfecteerde nonunion.
Malunion: zie boven voor acceptabele standen.
Denk
ook aan: knie en enkelstijfheid, arthritis, dystrofie, refractuur, zenuwletsel
en pijn.