lies ® anteromediaal deel
dij + knie
- posterolaterale
pijn of bilpijn: meestal extra articulair
- geen
claudicatieklachten (= neurologisch of vasculair)
- antalgisch looppatroon (-verkorting standfase) soms
abductie + circumductie bij lopen
- Trendelenburg gang : incompetente heupabductoren (gluteale spier zwakte) bilateraal geeft
waggelgang
- gefixeerde
flexiecontractuur ®
versterkte lumbale lordose
- ‘swing through’ bij
heuparthrodese
- bekkenscheefstand « scoliose :verdwijnt
bij secundaire scoliose als patiënt gaat zitten
- drukpijn anterieur
over heupgewricht kan geassocieerd zijn met synovitis
Trendelenburg:
positief bij
multipele heup-OK; neuromusculaire aandoening; heupdysplasie; trochantere
overgroei, gefixeerde adductiecontractuur
Beenlengteverschil:
cave
adductiecontractuur ® gecompenseerd door contralaterale rompmusculatuur die
bekken ‘optrekt’ zodat benen // aan elkaar ® geeft schijnbaar beenlengteverschil
Flexiecontractuur:
patiënt met
progressieve lumbale + heuparthrose ontwikkelen meestal flexie contractuur
beiderzijds (testen met Thomas Test)
Cave hyperlordose bij
mensen met heupflexiecontractuur bij zijligging.
Arthrose
-
jonge
patiënten: BSE reumafactor ANA SLE: jicht en andere metabole aandoeningen.
(cave dysplasie; CE hoek/ Wiberg)
-
ouderen: geen
specifieke labtesten
diagnose o.b.v. klinisch beloop, X, reactie op conservatieve behandeling
X: gewrichtsspleet verminderd, osteofyten, sclerose en cystenvorming
Sommige auteurs:
1.
mediale
arthrose
mediale osteofyten, gewrichtsspleetvernauwing mediaal en mediale migratie kop,
mediale arthrose geassocieerd met hoog percentage acetabulaire revisies
2.
laterale
versus centrale arthrose
diagnose:
symptomen profiel + LO
anamnese:
ochtendstijfheid: zwelling meerdere gewrichten; pijn
lichamelijk onderzoek:
noduli; synovitis, bursitis weke delen contractuur
lab: rheumafactor
ANA
röntgenonderzoek: osteopenie;
typisch is gewrichtsspleetversmalling zonder fyt- en cystevorming en protrusie
(speciaal bij juveniele RA)
- meestal
recidiverende synovitis bij jonge patiënt
- pijn bij belasting;
pijnlijke passieve bewegelijkheid ® vaak indicatie voor punctie (septische
arthritis)
- röntgen: wel met
cyste vorming femurkop/acetabulum
- niet in tact
blijven van gewrichtsruimte
- diagnose met MRI
hypo intense signalen van noduli massa op T1+T2
Recent management:
vroege interventie/behandeling
Probleem: presentatie
vaak op moment dat vroege interventie niet meer mogelijk is
Epidemiologie 20-50
jaar man > vrouw (met name idiopathische vorm)
50% bilateraal; van
bilaterale vorm 80% bij gebruik van corticosteroïden
Oorzaken:
·
idiopathische
vorm meest voorkomende
·
heupluxatie 10-15%
·
intracapsulaire
fractuur 15-30% .
·
30 dagen >
30 mg corticosteroïden/dag
Pathofysiolgie:
(hypothese)
1.
vetembolie
theorie: veranderingen in lipide metabolisme
2.
lipocyt
hypertrofie theorie: langdurige steroïd inname: verhoogde druk in beenmerg ® verminderde flow
naar femurkop (vergelijkbaar met
compartiment syndroom)
3.
accumulatieve
cellstress theorie: oorzaak osteonecrose: multifactorieel; anatomische locatie;
systemische aandoeningen; alcohol/coricosteroïden ® “stress” op beenmerg
en osteocyten, leidend tot osteonecrose
4.
intramedullaire
bloeding theorie (proefdieronderzoek 1. paardenserum + 2 steroiden : 1.geeft
vaculitis, 2. bloeding + osteonecrose
5.
acuut infarct:
onderbreking bloedvoerziening door fractuur, luxatie embolie
anamnese:
plotselinge liespijn, in eerste instantie gerelateerd aan inspanning, later
pijn in rust en nachtpijn
onderzoek: antalgisch looppatroon, tekenen van synovitis, liespijn bij gestrekt tillen, apprehension bij passieve endorotatie, stijfheid + contractuur (late fase)
röntgen: vroeg: osteopenie, cysten, subchondrale
botcollaps (= crescent sign)
laat: segmentale collaps van de
kop, acetabulaire betrokkenheid
MRI: bij vroege verschijnselen ON + normale X, verminderde
signaal intensie (mergnecrose)
andere: bij bekende ON andere heup + normale X
(bilateraal ong. 50%)
indicatie: correctie femur osteotomie afhankelijk van mate
van betrokkenheid femurkop
Stagering:
ARCO (association research circulation osseous)
Stage 1. normaal
X, MRI +
2.
röntgenologisch
afwijking: geen subchondrale collaps
3.
crescent sign
4.
acetabulaire
betrokkenheid
subclassificatie 1 t/m 4: A. mild
<15 % mild: mild :
< 2 mm depressie
B.
moderate 15-30 % moderate: 2-4
C.
severe > 30 % severe: > 4 mm
ON: alleen operatief
behandelbaar: onbelast mobiliseren geen invloed op progressie van ON
Behandeling:
·
Core
decompressie Ficat: Hungerford
zagen + effect (vroege ON)
stadium 1 en 2, kleinere laesies hebben betere prognose
30 % van deze patiëntengroep progressie van ON (radiologisch)
·
Electrische
stimulatie: blijft controversieel
·
Cortical bone
grafts: (Phemister, later
Bonfiglio)
fibulaire of tibiale corticale bot “strut” (stadium 1–2)
biologisch + biomechanisch (ondersteuning van kraakbeen)
®
matige resultaten, technisch moeilijk
·
osteotomie
(volgt)
Synovectomie: uitzonderlijk RA met synovitis in heup, welke
niet op conservatieve therapie reageert ) matige
RA + synovitis zonder X afwijkingen )
resultaten
SVP
(tuberculeuze synovitis)
Osteotomieën: voor het moment van progressie arthrose: reconstructieve
osteotomie
Bij
aanwezige arthrose: poging symptomen te verminderen = salvage procedure
onderzoek: functiebeperking; beenlengteverschil; position of comfort =
welke positie heup geeft minste klachten
radiologie: functieopname: bij welke positie van de heup verbetert de
congruentie van de heup
- abductie AP foto – toont de overdekking v.d. kop bij
varisering v.d. heup
- false profiele van leguesne (= 30° oblique) ® essentieel bij
planning
maximale abductie + endorotatie (= von Rosen) ® van periacetabulaire osteotomie
Femorale osteotomie
gepopulariseerd door
Mc Murray (1935)
Indicaties nu bij
arthrose (salvage) heupdysplasie,
Perthes SCFE, osteonecrose, collumfractuur
ITO: rotatie
transtrochantere osteotomieën (ON)
AP X bekken: horizontale sourcil: subchondrale density in
het acetabulum wijst op normale belasting v.d. heup.
verticale sourcil: zie
je bij dysplasie
osteofyten femurkop: lateraal voorkomt relocatie bij abductie van de
heup
mediaal
– “capital drop” ®
subluxeren van de kop superolateraal
alleen varisatie
varus overload van de knie
alleen medialisatie
geeft valgus overload van de knie
Varus ITO
indicatie:
laterale subluxatie + coxa valga
voorwaarde: verbeterde
congruentie bij abductie opname
contra-indicatie:
laterale osteofyt femurkop
volgens Muller: bij
varisering van de heup ® distale deel femur van de knie
naar mediaal voor
normale belasting knie
complicaties:
verkorting been, zwakke heupabductoren ® Trendelenburg *
* 1 te voorkomen door distalisatie van trochanter major
Valgus ITO
gepopulariseerd door
Pauwels
geïndiceerd
bij jonge patiënten of als salvage procedure
voorwaarde:
passief flexie > of 90°, adductie
>15°
![]()
radiologie: arthrotische heup: overload craniolateraal
capital drop osteofyt
adductie
opname: moet betere congruentie geven
Bombelli: 67-75% succespercentages bij jonge patiënten
indicatie jonge
patiënt – salvageprocedure
valgisering verbetert
de biomechanica+ stimuleert de genezing.
verminderde “shear
force”: maximaliseert compressiekracht
osteonecrose stadium
1 + 2 geen contra-indicatie
populairder geworden,
gezien matige lange termijn THA, smal indicatie gebied
onderzoek:
letten op positie been/heup bij minste klachten
AO: X bekken AP/lat. + 60°
oblique (Schneider) ® 1. laesie beschrijven in (welk) quadrant van de
fermurkop
2. cumulative
“necrotic sector angle”
doel ITO:
repositie van de kop, waarbij het gezonde deel naar het gewicht dragende deel
van het heupgewricht wordt gedraaid
resultaten:
76% goed tot excellent resultaat na 11,5 jaar
Sugioka: 78% 3-16 jaar follow up
- bij ernstige
dysplasie ®
proximale femurosteotomie niet afdoende
- bij niet eerder
bemerkte dysplasie: belasting verminderen + modificatie van activ., NSAID
- milde of matig
ernstige heupdysplasie: conservatieve maatregelen.
AO: X bekken AP/lat. Wiberg < 20°, acetabulaire index >30°
False profile opname (60° oblique) ® geeft bedekking van de kop weer
Chiari osteotomie
- als salvage
procedure ®
doel verlichting pijnklachten, uitstel tot THA
- populair bij
dysplasie kinderen
- creëren van butress
d.m.v. mediale verplaatsing van distale acetabulaire fragment
- osteotomie zo dicht
mogelijk bij kapsel: proximaal
- aanvullend kan
graft van bekkenkam genomen worden ter
overdekking van anterieure
defect
- ook bij volwassenen
goede resultaten Reynolds: 90% succes – 5 jaar follow-up
Arthroplastiek
primaire indicatie:
pijn, functiebeperking, X: degeneratieve afwijkingen
X bekken/ AP/lat.
heup bij voorkeur 15° endorotatie
ter compensering van anteversie
templates:
acetabulum: beste
aangedane zijde, femur: niet aangedane zijde
let op offset:
impingement
In literatuur niet
aangetoond dat goede pré-op planning tot minder complicaties leidt
Ongecementeerde heup:
cave diameter femur: niet te klein voor diameter prothese. Opraspen leidt tot
corticale osteoporose + stress shielding
Advies Dor diameter
t.h.v. trochanter minor + 10 cm eronder meten
Indien percentage
distaal > 70% van proximaal: ongecementeerde heup niet geschikt
Geen universele
consensus: gecementeerd verus ongecementeerd
Over 't algemeen:
< 65 jaar ongecementeerd
>
65 jaar met levensverwachting > 10 jaar: hybride
- meer kans op
infecties opp: 9.7%, diep: 6.5%
Niertransplantatie
- meer kans op
kopnecrose
- bij THA – meer kans
op complicaties (vroege loslating)
- korte follow-up
studies van ongecementeerde heupen lijken betere resultaten
M. Gaucher
meer bloedingen per-
en postoperatief hoog percentage loslatingen
- bekende complicatie
= kopnecrose
- hoog percentage
infectie: 16-20%
- loslating
40-60% 5-10 jaar follow up
- korte follow-up
betere resultaat met ongecementeerde heup
Coxarthrose o.b.v. hemofilie
coxa valga +
protrusio acetabuli
lange
termijnresultaten: 62% acetabulaire + 30% femorale component faalt bij fu 8,5
jaar
korte termijn
resultaat met ongecementeerde THA uitstekend
Cerebral Palsy
- mentaal
geretardeerd en niet ambulant ® girdlestone
- jonge actieve
patiënt en niet ambulant ® arthrodese
Psoriasis
bij pre-op AB is niet
bekend of psoriasis risicofactor vormt
Osteogenesis
imperfecta
goede resultaten THA
(kleine series)
JRA
- THA lange follow-up
studies ®
extreem hoog loslatingspercentage: 57%
- ook hier weer
ongecementeerde THA betere resultaten met korte follow-up
-
complicerende peroperatieve factoren: -
botdeficiëntie: kleine diameter; osteoporose
-
ernstige weke delen ziekte
SLE
- kopnecrose « corticosteroïden
- sommige studies
iets meer infecties 10% wond , 5% diep
- Hybride of
ongecementeerde lijkt het best
Collumfractuur
kophals (bij
pathologische)
gedisloceerde
collumfractuur bij reuma: THA (arthrose acetabulair, anders kophals)
hoog failure rate THA
bij fractuur (50% bij fu 5 jaar)
Osteonecrose: ook hogere failure rate (jongere patiënten)
Heupdysplasie
Harris: 47% faalt bij
10 jaar
reconstructie met
hoger centrum van rotatie lijkt beter te scoren mits geen lateralisatie
THA + dysplasie
® lange follow-up studies: 71% succes
Chirurgische
procedure:
belangrijkste
factoren bij vermindering infecties: pre-op AB profylaxe 5,8% naar1%
1/3 tot 2/3 van de
gevallen = staphylococcen aureus (1e gen cefalosporine)
Benadering
1e Chamley transtrochantere lateral approach
Anterolaterale
benadering
- via interval
tensorfascielater + gluteus medius, abductor deels losgemaakt
- lagere
luxatietendens dan posterolateraal
-
nadeel: - minder exposure femurkanaal
- posterior aspecten
van acetabulum moeilijk te bereiken
- abductor zwakte
Straight lateral
(Harding)
posterieure deel van
gluteus medius in tact gelaten
Originele Harding
- meer heterotope
ossificaties, abductor zwakte, lang manken ® modificaties: minder
complicaties
voordeel:
goed plaatsen THA mogelijk, in tact laten posterieure kapsel
Posterolaterale
benadering
- 1 studie betere
beenlengteverschil correctie mogelijk
- 1 studie: minder
bloedverlies dan anterolateraal: kortere OK tijd
- hoger percentage
luxatie (probleem plaatsen acetabulumcomponent)
- minder luxaties bij
terughechten post. kapsel
Charney: trochanterosteotomie
- populariteit ¯¯
- nonunion 17% :
primair
- meer non
unions bij bestraling ter profylaxe van
H.O.
- bursitis
Beenlengte verschil
Abraham: > 2,5 cm
langer is gerelateerd aan n. ischiadicus uitval
meer rugklachten /
abductor impairment / meer luxaties
superior of laterale
plaatsen van centrum van rotatie ® meer loslating
Plaatsen acetabulum
component: voor stabiliteit anteversie belangrijkste
Abductie 30-50° anteversie 20-40°
(Mc Collum), 15 +/- 10° (Lewinnek)
Press fitt cups 1-2
mm groter dan voorbereiden acetabulum. femur: 15° anteversie
Cement
polymethylmethacrylaat:
niet veel anders dan 30 jaar geleden
1e
generatie techniek: handgemixed- unplugged femoraal kanaal – handpacking van
cement
2e
generatie techniek: plug onder implant.-lavage-retrograad cementeren
3e
generatie techniek: vacuum; pressurization
Sarmiento: beste
resultaten manteldikte 2-5 mm
femorale componenten
die meer dan de helft van de schacht vullen
®
minder radiologische loosening: meer loosening bij varus stand van
femurcomponent
®
verbetering cementtechnieken: percentage loslatingen van fermurcomponent lager,
niet
van acetabulum component
prothese design:
Crowninshield: breed medial surface + afgeronde bochten ® minder stress femur
mantel
Cobalt minder stress
dan titanium
28 mm kopjes aanbevolen,
meeste wear bij 32 mm; 22 mm ® grootste lineaire wear
Closure: wond
uitgebreid gespoeld: botresten/cement initieert mogelijk h.o. + drain: geen
bewezen nut in de literatuur (2 studies)
Resultaten
- meest gebruikte
scores: Aarris, Mayo dÁubigne Iowa.
- niet gevalideerd;
geen verschil aantoonbaar implant type/fixatie
- probleem studie met
lange follow-up: uitvallers – scores bepaalt door denominator
- niet alle matig
functionerende of pijnlijke heupen worden gereviseerd.
Gecementeerde heup
- 20 jaar follow-up:
80% (65 jaar >) 68% (50 jaar <)
- revisiepercentage
neemt toe naar mate leeftijd jonger (Kavanagh)
- risicofactoren:
overgewicht; veel activiteiten en diagnose afhankelijk
- 2e
generatie technieken cementeren: falingspercentage (femur) neemt af
- 3e
generatie korte follow-up: 5 jaar bemoedigend falingspercentage en revisie
femur;
lineair : acetabulum exponentieel na 10 jaar
postoperatief
Ongecementeerde heup
verschillende types:
proximaal gecoat ® metafyseale fitting
versus volledig ®
stress shielding; ingroei tip
eerste
ongecementeerde heupen: pijn t.h.v. dijbeen ® verdwenen t.g.v. stabielere protheses ® geen microbewegingen
distaal en patiëntenselectie, d.w.z. cilindervormige femur: cementeren
-
proximaal
gecoate THA: osteolysis ® nu circumferentieel gecoat (onder de collar) van migratie
van debris naar distaal
-
extreem
gecoate THA geven waarschijnlijk bescherming ® nu circumferentieel gecoat (onder de collar) van migratie
van debris naar distaal
®
fysiologischer dan volledig gecoate prothese; distale steun moet press fit
zijn.
Engh : volledig
gecoate: follow-up 10 jaar: overall revision 15 %
aanvankelijk 14 % dijbeen pijn; 4%
ernstige botverlies; 14% moderatie
Metal backed
acetabulaire componenten: verwachting minder stress ® minder loslating
Ritter vond echter
beduidend meer loslatingen 39 versus 25%
Complicaties
Heterotope ossificaties (ho) 20-90% !
± 7% pijn en functie
vermindering
pathofysiologie:
onbekend
belangrijkste
risicofactoren: - eerder HO ® revisie THA recidief
kans tot 90% in zelfde mate
-
mannelijk geslacht
-
hypertrofe arthrose: ankyloserende spondylitis
-
publicaties ongecementeerde THA meer kans HO
-
(posterolaterale benadering minder HO)
Brooker classificatie (meest
gebruikt)
1.
geïsoleerde
eilandjes bot
2.
botspurs met
gap > 1 cm tussen opponerende botstructuren
3.
bijna complete
overbouwing < 1 cm
4.
ankylose
Profylaxe
NSAID (Schmidt) ® geen stadium 3 en 4
incidentie beduidend verlaagd
no. HO 85% + NSAID; 25% no. HO
in niet behandelde groep
(25 mg 3dd 6
weken)
Bestraling: Coventry 1981 geïnitieerd:700-800 cGy 1-4 dagen
postoperatief 1x = effectief; andere studie eenmalig 800 cGy preoperatief
Nadeel NSAID:
coöperatie patiënt; mogelijk verminderde botingroei
Excisie HO: pas 6-12
maaned na OK; botscan kan iets zeggen over activiteit
Cobb: na excisie ho:
verdwijnen pijn erg variabel, niet gecorreleerd aan X; net zo min als functie
DVT
-
meest
voorkomende complicatie 50-70% zonder
preventieve behandeling
-
klinische
diagnose onbetrouwbaar (accuracy 50%)
-
gouden
standaard: flebografie
-
duplex
doppler: meest gebruikt ® erg afhankelijk van kundighied, minder betrouwbaar
-
pulmonale
embolieën
-
posttrombotisch
syndroom
-
bij
constatering van DVT + start heparine 45% bloedingscomlicaties indien OK < 6
dagen geleden
Methode:
Pneumatische
compressie attributen: 10-20 %¯ ® minder effectief in preventie proximale thrombose ® embolieën
aspirine na THA: geen
¯
recente studie geen
verschil aspirine contra warfarine
Dextran: 6% ¯, nadeel: hypersentiviteit en cardiogeen belastend
lage dosering
heparine: gefaald
Nieuwste medicatie:
lmw heparine: DVT 10,8% ¯, proximale DVT 5% ¯
Metaanalyse van
Imperiale: LMWH + kousen: laagste incidentie DVT (17%) + PE (0,7%)
Duur behandeling???
(niet duidelijk uit/in de literatuur)
Instabiliteit
- posterieure
luxaties: 60-90 % van postoperatieve luxaties
- anterieure luxaties
– meer gerelateerd aan anterieure + laterale benaderingen
- 40-70 %: binnen 1e
maand
- 8,4% > 5jr na OK
risicofactoren: - vrouw, eerdere heupchirurgie, acetabulaire
cuppositie belangrijkste
- Mayo clinic: posterieure
benadering: 2-3x méér luxatie
Immobilisatie met
spica/brace 6-12 weken succesvol in 2/3 van de gevallen,
1% revisie nodig
Mayo: heeft
antiluxatie ‘rim’ geadviseerd ® 3-4% ¯ luxaties
Krushell: kadaver
studie: rim geen effect (bij juiste positionering componenten)
Neurovasculaire schade
- zeldzaam; hogere
percentages 3% bij revisie chir, 5% dysplasie
- meestal n
ischiadicus
Oorzaken: -
direct letsel; luxatie heup; bloeding en verlenging; vaak is oorzaak onbekend.
- lesies van alle arterieën en
venen (heupregio) zijn beschreven
- zeldzaam 0,1-3,2 %
gecementeerd
- bij gebruik
ongecementeerde ®
% fractuur
- 50% slechts ontdekt
tijdens OK (Schwartz)
- niet ontdekte
fracturen: ip stabiel - conservatieve behandeling
- fractuur onder THA ® langere prothese met
verlenging minstens 2x corticale diameter
onder perforatie!
- periprothetische
fractur: ip OK indicatie, vraag loslating ja/nee
Goede resultaten met
ORIF (speciaal jongere patiënten)
Ogden plaat: voordeel
geen aantasting cement mantel – proximaal: parham banden en distaal: corticale
schroeven distaal (100% union rate)
Dahl Miles cables + standaard plaat proximaal/distaal: 100% union rate
Arthrodese van de heup
vroeger
1e keuze: - afwezigheid AB
- tuberculeuze arthritis (extra articulaire arthrodese)
nu
1e keuze: - bij jonge actieve
patiënten met unilaterale, posttraumatische arthrose heup
- erg obese patiënten
- pijnlijke arthrose o.b.v.
tumor/sepsis
- gefaalde prothese kunnen
soms onmogelijk gefuseerd worden
Vereisten:
- compliance patiënt
- "geen lumbosacrale
aandoening”
Contra-indicatie: - ernstig verlies bone-stock
- neuropathische
gewrichten
- osteonecrose
(=controversieel)
Techniek: - ideale
positie: 20° flexie:
neutrale rotatiestand, 5° adductie
belangrijk:
geen endo of abductie. (teveel flexie: problemen met lopen/zitten)
- benadering posterolateraal; patiënt in zijligging; Cobraplaat
belangrijk mede i.v.m.
omzetting naar THA: sparen abductoren
- klassiek: trochanterosteotomie (bone graft)(goed zicht)
fixatie trochanter
anterolateraal na fixatie van heup (Vancouver techniek)
anterieure benadering (geen
trochanterosteotomie) plaat ilium-anterolateraal femur
Resultaten: - Spronseller: fu: 20 jaar: 78% tevreden
(slechts 13% THA nadien)
- Callaghan: 60% pijn
lumbosacraal + 60% kniepijn
- laxiteit ipsilaterale
heup: 75%-80%
Revisie heup chirurgie
DD ® spinaal kanaal
stenose L5-S1
Pijnklachten
heupregio: - pijn bil ® trochanter regio
-
bursitis trochantererica
suggestief
heupklachten/losse femurcomponent: - liespijn/ pijn voorzijde bovenbeen bij belasting
- DD entrapmant
N. obturatorius bij protrusie cement in het bekken
jaren na THA
subluxatie gevoel + spontane reductie suggestief voor loslating acetabulum
component
Septische « aseptische
loslating
Verdacht: - BSE > 40 mm > 6
maanden
- leuco’s: no value
- aspiratie heupgewrict –
controversieel
- CRP normaliseert binnen 3 weken
na THA
Lachiewicz
adviseert aspiratie wanneer: - pijnklachten
< 5 jaar na THA
-
verhoogde BSE
Röntgen:
infectie: - periostitis; endostale scallopping: diffuse
lysis
- radiolucente lijnen + endostale
erosies
(zowel bij septische als aseptische loslating)
- bij infectie: periostale
botafzetting vaak op overgang meta/diafyse
(mediale zijde)
- interface
loslating: botcement gelijk of > 2 mm (gecementeerde componenten)
radiolucente lijn tussen cement en prothese
Harris: radiolucente lijn wil niet per definitie zeggen
afbraak bot/cement interface maar bot remodeling
- belangrijkste aanwijzing loslating
= subsidence/migratie
- veel aandacht voor technieken
welke dit aantoonbaar maken
(markers, Muller template)
ongecementeerde
heupen: afwezigheid reactieve lijnen ® tekenen van osteo-integratie
aanwezigheid
endostaal nieuw bot (spot welds) ® tekenen van osteo-integratie
Arthrografie:
achterhaald
radionucleaire
arthrografie lijkt accurater dan routine arthrografie
Botscintigrafie:
IgG-scan (indium
gelabeld) relatief nieuw
vooral belangrijk bij
laag gradige infecties
Geïnfecteerde heupprothese
Fitzgerald stage 1: direct
postoperatief: meestal staphylococ aureus of groep B streptococ
stage 2: infectie 6-24 maanden postoperatief staphylococ
epiderdimis
stage 3: lange latente periode (>2 jaar) hematogeen
verspreide infectie
(andere bron;
of wond of gebit rep zonder profylaxe)
Cave: - (subcutaan) haematoom
- sereuze wonddrainage persisterend
> indien meer dan 10 dagen: geen AB maar wonddrainage
- als infectie oppervlakkig lijkt,
hoeft de fascie niet geopend te worden
Meer
virulente bacterie: MRSA glycocalyx
vormend; MRSEpiderdimis glycocalyx vormend Gram neg. Groep D streptococcen
Minder
virulente bacterie: niet MRSA geen gly:
Anaerobe gram pos
niet
MRSE geen glycocalyx vormend
Stage 2:
BSE , CRP ® aspiratie IgG
Positieve
bevindingen: intra-operatieve kweken en histologie +
Negatieve
bevindingen: 1e kweek
(huidflora??) ®
2e kweek pos ® THA
verwijderen (one/two stage)
One stage revisie met
gentamycine geïmpregneerd cement enige populariteit in Europa, niet in VS
®
kan overwogen worden bij laag virulente micro organismen.
voorkeur revisie: 1
jaar wachten
Colyer/Capello: - 84% succes bij slechts 1 maand interval,
- 2 stage revision (1 jaar zeker belangrijke
termijn bij oudere patiënten)
3 stage OK: - 1e OK: uitgebreid/radicaal
nettoyage
- 2e bot
grafting
- bij ingroei graft plaatsen prothese
Aseptische loslating
- wear debris polyethyleen (gecementeerd + ongecementeerd)
®
osteoclasten
activiteit cytokines (proinflammatoir) ® botresorptie
geen 32 mm kopjes (tenminste 8-10 mm polyethyleen dikte van acetabulum)
gemiddelde wear van Chamley prothese = 0,2 mm/jaar
- titanium femoral heads avoided
Revisie chirurgie
-
plannen voordat
de osteolyse ‘te ver’ is
-
plaats van
osteolyse rond acetabulum bepaalt mede de ligging van de patiënt
-
bij anterieure
benadering disloceren van femur naar posterieur ® zeker risico voor peroneale deel van ischiadicus
-
(posterieure
benadering – luxeren ant. ® risico voor n. femoralis)
soms kan femur component verwijderd worden ® zonder beschadiging cement
-
mogelijkheid
van trochanter osteotomie ® nonunion: 20% bij revisie
-
indien
corticale window noodzakelijk: anterieur, niet posterieure cortex
-
extended
proximale femorale osteotomie (1/3 deel van circumferente
cortex over > 12 cm open “geosteotomieerd”)
-
voor reconstructie anterieure collum: extensile
illofemoral approach
triradiate exposure
van heup: bij obesitas:, acetabulaire protrusie of zeer fragiel femoraal bot
Classificatie femoraal botverlies
Beste
indeling is AAOS:
·
Segmentale
defecten: partieel
compleet
·
Cavitary
defecten: partieel
compleet
Excavaties in spongieus/endostaal bot
Intercalair defect =
segmentaal defect omgeven door bot
Ectasia= ballooning
effect van medulaire kanaa
Revisie gecementeerde
femurcomponenten
Advies:
- zoveel mogelijk host bot bewaren
- I.p. géén ongecementeerde
femurcomponent i.v.m. progressie osteolyse
Failure gecementeerde
femurcomponent: 6-11% bij 10 jaar
Ling: heeft impected
grafting gepopulariseerd
Voordelen
spongiosa geimpacteerd bot: - herstel bone stock
-
bescherming tegen migratie partikels naar distaal
-
slechts 7% subsidence cement graft composit (FU: 1 maand)
Bij intercalaire
defecten: langere femurcomponent (studie Turner; N=110. Slechts 1/3
scoorde excellent)
Revisie ongecementeerde
femurcomponent
Principe is goede
fixatie distaal.
Andere
techniek: proximale loadbearing ongecementeerde prothese + corticale
onlay strut allograft
Gevaar van niet
modulaire ongecementeerde prothese:
- subsidence
- fermurfractuur
intra-operatief
Acetabulaire botdeficiënties:
Studie Kavanagh (N=81
revisies) FU 4-5 jaar: van primair aseptische loslating 50% weer los
Revisies goed
mogelijk indien anterieure en posterieure rim intact
· defecten tot 25 % (superolateraal): bonechips
· bij defect van anterieur wall: extra schroeven
· posterieure defecten: altijd repareren: allograft
· anterieure defecten (segmentale laesies): allograft
Indeling Paprosky:
1.
vrijwel gelijk
aan primair acetabulum beeld; alleen wat cementgaten
2.
meest
voorkomende; anterieur en posterieure kolom/wand intact
migratie < 2 cm
superieur ® 2A superomediale migratie
2B
superolaterale migratie
2C
mediale migratie
3.
superieure migratie > 2 cm ® a.
illio-ischial ligne intact
(Kohler)
b.
illio-ischial ligne niet intact
falen van grote allografts op lange
termijn
3b – voorheen Oh-Harris metalen
reinforcing protrusieschaal
-
APC
antiprotrusie cage – 76% geen loslating of loslating
-
Muller support
ring: 80% succes; wel veel radiolucentie cement-bot interface
Heuprevisie voor
instabiliteit
- malalignement acetabulum of femur component ?
- soms impingement
oorzaak recidiverende luxaties (bot/cement).
- acatabulaire
component teveel gemedialiseerd ® onvoldoende offset
- geassocieerde
disruptie van abductor mechanisme
Heup arthroscopie
Indicatie: - corpus liberum
- nuttig bij vaststellen labrum letsels
- lavage bij (septische)
arthritis
- biopsieën synovium
Techniek:
- portal: anterolateraal (rugligging)
- paratrochanteer: cave
neurovasc femoralis bundel (rugligging)
- portal: proximaal trochantair
(zijligging)
Complicaties: - laesie laterale cutane tak van n femoralis
- passagère pudendus dysaesthesie