Hoofdstuk 76

 

 

REVALIDATIE NA RUGGEMERGSLETSEL

 

 

vroegtijdige chirurgie (stabilisatie; decompressie) geeft gunstige neurologische en functionele uitkomst

 

 

Ruggemergletsel syndromen

 

CCS (central cord syndrome):

relatief veel voorkomend

vooral bij ouderen, met preëxistente degeneratieve afwijkingen van cervicale wervelkolom met hyperextensie letsel van cervicale wervelkolom

aantasting centrale grijze massa en middelste deel lange baan vezels (motoriek + sensibiliteit), waarbij thorax en bovenste extremiteiten > onderste extremiteiten

sacrale segmenten gespaard (blaas en darm: geen bijzonderheden)

 

Prognose:

goed wat betreft mobiliteit en loop functie

matig wat betreft hand functie

   afhankelijk van leeftijd

 

Anterior Cord Syndrome:

voorste 2/3 deel aangedaan (gebied van arteria spinalis anterior)

uitval: variabel ® paralyse bovenste en onderste extremiteiten; pijn en temp gestoord    onder niveau van letsel

 

Prognose:

sterk afhankelijk van mate van aandoening

 

Brown-Séquard Syndrome:

hemisectie van het ruggemerg

uitval: motoriek en propriocepsis aan ipsilaterale zijde; pijn en temperatuur aan contralaterale zijde

 

Prognose:

beste van alle aandoeningen met betrekking tot loopfunctie: 90%

 

Posterior Cord Syndrome:

zeldzaam

uitval: vibratie en propriocepsis; sparen van temp en pijnzin

 

Prognose:

matig wat betreft functioneel herstel met name ten gevolge van uitval fijne motoriek/coördinatie en functie van distale extremiteiten

 

Conus Medullaris Syndrome:

ten gevolge van aandoening sacrale ruggemerg

uitval: areflexie blaas en darmen; impotentie (slechte prognose); soms zwakte van been spieren; uitval gevoel sacrale dermatomen

 

 

Cauda Equina Syndrome:

aandoening lumbosacrale zenuwwortels 

asymmetrische paralyse onderste extremiteiten, radiculair sensibiliteitsverlies, areflxie   blaas en darmen, neuropathische pijn

 

Prognose:

goed ten aanzien van loopfunctie; slecht ten aanzien van blaas, darm en sex. functie

 

Mixed spinal cord injury syndrome:

meest voorkomend

 

Prognose:

afhankelijk van uitgebreidheid, localisatie; geassocieerd letsel en preëxistente toestand

 

 

Classificatie van ruggemergletsel

ontwikkeld door ASIA (American Spine Injury Association)

cervicaal ® tetraplegie

thoracaal-conus/cauda ® paraplegie

niveau: bepaald door eerste normale niveau qua motoriek/sensibiliteit

             normaal = 3/5 spierkracht; sensibiliteit: bepaald door normaal fijn gevoel/pijn

 

ASIA impairment scale: zie tabel 76: A = compleet; E = normaal

 

motoriek/sensibiliteit index scores: 10 key muscles:

spier             ®  score 0-5 (0 = paralyse)

sensibiliteit   ®  0-2 (0 = afwezig) pinprick

 

indien volledige uitval 72 uur ® geen herstel (indien geen behandeling)

 

 

Voorspelling functionele/neurologische uitkomst

-  afhankelijk van niveau, type en ernst; 72 uur na het ongeval: beste inschattingsmogelijkheid

-    lange termijn prognose motoriek: beste na 30 dagen

   (tetrapleeg na 30 dagen: 90-96% na 1 jaar)

-  herstel tot 2 jaar na ongeval mogelijk

-  herstel boven aangedane niveau: 0-9% (bij volledige)

-    meeste verbetering binnen eerste 9 maanden

   door verbeterde opvang: daling volledige laesies en toename incomplete

 

 

Functionele uitkomst

-  C3-4: daarboven: beademing; bij intacte n. phrenicus kan phrenicus pacemaker nog ondersteunend werken

-  C4: meestal geen beademing; volledig afhankelijk: transfers, mobiliteit, ADL

-  C5: zelf voeden; ADL: zelf wassen, kleden; afhankelijk van elektrische rolstoel

-  C6: ADL zelfstandig; binnen zelf rolstoelen; hulp bij transfers

-  C7: kritische niveau voor ADL en transfer zelfstandigheid; buiten rolstoelen

-  C8-T1: volledig onafhankelijk wat betreft rolstoel, transfers, mobiliteit

-  T2-10: wandelen is geen functionele activiteit: alleen met orthese

-  T11-L2: wandelen met knie-, enkel-, voetorthese

-  L3-S2: buiten wandelen met enkelorthese

 

 

FIM: functional independence measure:

-  belangrijk ter beoordeling effectiviteit/efficiëntie revalidatie

-  zelfredzaamheid; sfincter controle; mobiliteit; communicatie; sociale (h)erkenning

(QIF):

-  succesvolle uitkomst: afhankelijk van multidisciplinaire aanpak

-  acute fase: voorkomen van secundaire complicaties (decubitus, preventie contracturen, spier training); opstarten revalidatie

 

blaas: CAD ® waaneer patiënt stabiel is: start blaastraining

darm: buik op gang; orale intake: starten: laxantia, bulkvormers

 

 

Revalidatie (afdeling)

-  over naar revalidatie afdeling als patiënt gestabiliseerd is (operatief/conservatief)

-  door toename effectiviteit/efficiëntie: duur opname: 50% verkort

-  ook na ontslag multidisciplinaire aanpak

-  levensverwachting neemt toe:

   voorheen ® nierfalen en complicaties van urinewegen belangrijkste doodsoorzaak

   nu ® 1. pneumonie, 2. hartfalen, 3. suïcide, 4. sepsis (tetraplegie)

             1. sepsis, 2. suïcide en hartfalen (paraplegie)

 

 

Special Equipment

rolstoel ® boven C6 elektrische; onder handmatige

® veel informatie over verschillende onderdelen 

 

Functional eclectrical stimulation:

via elektrische stimulus activeren van paralytische spier

·  oppervlakte elektrodes

   nadeel: beperkte functie

·  hybride (combinatie brace met oppervlakte elektrodes)

   dezelfde nadelen

·  geïmplanteerde systemen:

   nadeel: invasief, infectie

   voordeel: betere functie, cosmetisch

 

 

Psychosociale issues bij dwarslaesie

vaak vaste belevingsvolgorde: shock-angst-ontkenning-depressie-boosheid-(aanpassing)

depressie: incidentie: 12-50%  (normale populatie: 5-10%)

 

 

Neurogene blaas

-  acute stadium dwarslaesie: CAD

-  medisch “stabielstadium”: start blaastrainingsprogramma

-  doel: - effectief ledigen blaas

            - voorkomen infecties 

            - intermitterend catheteriseren (4-6 uur-intake 2 liter; blaasinhoud < 500cc)

-  bij hyperreflexie van de blaas ® anticholinergica

-    ledigen van de blaas kan gestimuleerd worden door:      

   - tappoteren van de blaas

   - trekken pubis beharing

   - vasalva maneuvre (lower neuron bladder)

-  betere informatie over blaas middels urodynamische studie (sfincter functie etc.)

-    UWI belangrijkste complicatie (73-87%); consensus is asymptomatische bacteriurie niet antibiotisch te behandelen

 

 

Neurogene "darm"

gebruikelijk is paralytische ileus na dwarslaesie (aantal dagen, meestal spontaan weer weg)

 

Behandeling:

-  bisacodyl supplement

-  orale laxantia

-  bulkvormers

-  frequente digitale atimulatie en evacuatie

 

 

Autonome dysreflexie

-  meestal bij dwarslaesie T6 en hoger

-  treedt op < 6 maaned ongeval

-  30-85% van de patiënten

-  pijnlijke stimulus onder aangedane niveau ® induceert gegeneraliseerde sympathische activiteit ® vasoconstrictie-hypertensie « door laesie geen parasympathische feedback ® epilepsie, intracerebrale bloedingen, coma, dood

 

stimuli kunnen zijn:

te volle blaas-colon/rectum-ook andere pijnlijke stimuli (drukplekken/maagsonde)

 

Behandeling:

-  voorkomen bovenstaande zaken

-  evt. hypertensie bestrijden met calcium kanaal blokkers

 

 

Heterotope ossificaties

-  peri-articulaire ossificaties

-  vooral bij brandwonden, hersenletsel en dwarslaesies

   dwarslaesies: 16-53% van de gevallen ® onder niveau van aandoening

                           meestal heup, minder vaak knie

                           hoogste incidentie 1-4 maanden na trauma

                           zeldzaam = 5-7 jaar na ongeval

 

Symptomen:

-  functie beperking

-  zwelling

-  roodheid

-  lokale temperatuursverhoging

 

Diagnostiek:

-  beste keus ® 3 fase botscan (na symptomatologie)

-  röntgen: pas zichtbaar 2-4 weken (na symptomatologie)

-  lab: AF verhoogd voor klinische symptomatologie (niet specifiek)

-  uitrijping HO: amorfe calciumfosfaat hydroxy-apatiet ® kristallen

-  preventie: controversieel: radiotherapie en NSAID: niet effectief bij dwarslaesie

   Didronel: remt neerslag calciumfosfaat (= medicijn van voorkeur)

-  verwijderen bij: functionele problemen (b.v. bij zitten)

   advies: Didronel 2 weken voor tot 1 jaar na operatie

 

 

Complicaties HO:

-  contracturen

-  belemmering veneuze/lymfe drainage, entrapment zenuw

 

 

Spasticiteit

= hypertonie met toegenomen weerstand bij passieve bewegingen van het gewricht

-  bij ruggemergletsel boven conus medullaris

-  treedt pas op na verdwijnen fase spinale shock

-  minder vaak bij paraplegie onder T7; meestal bij klasse B en C (volgens Frankel)

 

Complicaties:

-  contracturen

-  drukplekken/ulcera ® ADL problemen

 

Behandeling:

-  voorkomen pijnstimuli

-  splinting/casting medicatie

-  baclofen (gevaar; sedatie/insult)